Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nagenoeg. — Een oogenblik scheen Gairon te aarzelen, en toen achteloos de schouders ophalend, begon hij:

Alles wel beschouwd, heb ik geen kwaad gedaan. Zie eens, Peter, ik was toen achttien jaar. Een oude otterjager had me in dienst genomen. De Apachen, die hem goed kenden, noemden hem Bloedige Vos! We waren tot Sonora doorgedrongen en bij het heengaan hadden we onze pelsen tot goeden prijs te gelde gemaakt. Maar een troep zwervende Roodhuiden kreeg ons in de gaten en maakte geweldig jacht op ons beiden. We zouden hun als naar gewoonte het spoor hebben bijster gemaakt, want Bloedige Vos was even behendig in listen als dapper in het gevecht. Ongelukkig werd mijn patroon onderweg door een venijnig insect in den voet gestoken. Het hielp niet of hij de wond met zijn mes al opensneed en het bloed eruit liet druipen, het gif drong in zijn aderen. Een paarskleurig, pijnlijk-gezwel hinderde hem geweldig in het Joopen. Toen bracht hij mij naar dit plateau.

Kijk eens, zei hij, hier kan men verzekerd zijn zich behoorlijk te wreken alvorens naar de andere wereld te verhuizen. Binnen een paar dagen zal het gif een einde hebben gemaakt aan mijn leven. Maar mijn armen zullen het laatst er door worden aangetast Tot op mijn jongste oogenblik zal ik in staat zijn het roode ongedierte voor den kop te blazen. Wat kan een jager, die zijn leven wel besteed heeft, beters verlangen? ,

Zijn kalmte joeg mij vrees aan. Ik was nog niet gemeenzaam met de bittere ontroeringen die de wildernis met zich brengt

En dan ik was nauwelijks achttien levenslentes oud. Het valt hard het leven vaarwel te zeggen, als men den drempel ervan pas heeft overschreden

Gairon wachtte even met smartelijke

droefheid vervolgde hij:

Ik stortte tranen tot mijn schande

moet ik het bekennen als ik had kunnen

beseffen wat ik heden moet lijden, ik zou den dood als een verlossing hebben begroet. Maar niemand weet wat de dag van morgen hem heeft beschoren. Ik weende. Mijn patroon hield van me en had medelijden met den achttienjarigen jongeling.

Zeg, knaap, mompelde hij, je hebt gelijk. Een kind kan den dood niet in het gelaat zien zooals een krijger, dien de levenslast bezwaart. Jij moet je redden, en dat kun je.

Hij wees me het pad waarvan ik zooeven gesproken heb. Ga terstond, zei hij. Ik zal alleen den aanval der Indianen het hoofd bieden. Een man is hier een stam waard. Ge zult, alvorens ik bezwijk, een genoegzamen voorsprong hebben op de ondieren, zoadat ze je niet kunnen inhalen.

Ik weigerde aanvankelijk, maar hij drong aan:

Met mijn jachtbedrijf is het uit Zie, het gezwel is reeds over de knie en heeft het been aangetast. Langzaam, maar zeker, gaat

het hooger, er is niets dat mij kan redden. Laaf mijn uiteinde althans nuttig zijn. En ik zal mijn oogen met meer genoegen sluiten bij de gedachte dat ik een wreker nalaat, een onverzoenlijken vijand der Apachen. Wat zal ik er nog aan toevoegen? zei de Canadees op weemoedigen toon. Voor den vorm maakte ik hem opmerkzaam, dat wanneer hij den laatsten snik zou hebben gegeven, de Apachen zijn scalp zouden nemen en als een zegeteeken er zich mee tooien.

Goed, gromde hij, hij zal aan den gordel bengelen van een dezer handenkinderen — Wat nood! de krijger die er zich van meester maakt, zal zich niet durven beroemen, dat hij hem veroverd heeft Zoo men hem vraagt: Van wien is deze haardos? En, als hij zegte Van den Bloedigen Vos, dan zal de vrager hem antwoorden: Je hebt dien van zijn lijk gestolen! Want je moet wel weten, knaap, voleindde de grijsaard, een goede reputatie volgt iemand in de wildernis aan gene zijde van het graf. Geen Indiaan, geen squaw (Indiaansche vrouw) zal ooit geïooven, dat Bloedige Vos door een roover der prairie is overwonnen.

En hoofdschuddend zei Gairon: Ik gaf gehoor aan zijn wenk. Ik verliet mijn grijzen patroon. Ik heb later vernomen, dat hij, na zijn ammunitie te hebben verschoten^na zevenentwintig Roodhuiden in het zand te hebben doen bijten, zich naar den rand van deze rots heeft gesleept, en na vooraf een steen aan zijn hals te hebben gebonden, zich gestort heeft in het Zwarte Meer. De Apachen konden zich het genoegen niet gunnen zijn karabijn noch zijn scalp prijs te verklaren.

Een stilte vo'igde op deze laatste woorden. De Canadeezen herdachten het heldhaftig einde van den onbekenden pionier, die een strijd had gestreden op het plateau waarop zij thans zich bevonden. Francis besloot:

Zoo ben ik er achter gekomen hoe men van hier kan ontsnappen.

Peter sprak geen woord. De jagers nulden zich in hun mantels en schenen in te slapen. Geen alarm stoorde hun rust

De dag brak aan, en daarmee de zekerheid dat de belegeraars te ta'irijk waren, om het kleine troepje eenige hoop te geven van gewapenderhand zich een doortocht te banen.

In tegenstrijd met hun behoedzame gewoonten, verborgen de Indianen zich niet. Men zag ze met honderden, onder vervaarlijk krijgsgeschreeuw, over de vlakte galoppeeren. Aan de boorden van het meer hadden ook talrijke groepen hun kamp opgeslagen. „ ,

Die zijn onder schot! riep Peter vrooHjk, ik zal ze beleefd uitnoodigen om op te hoe-

f elen- .. , , A

Hij was bezig met zijn wapen te Iaden,

maar de komst der Mestiza stoorde hem in

zijn oorlogszuchtige toebereidselen.

Sluiten