Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. 1. Brug.

Eén oefening, ontworpen uit ten minste drie der volgende oefeningsvormen:

het komen tot zit- of ligsteun (ook vluchtig] uit hang of stand;

zwaaien in bovenarmenhang of in steun op gestrekte armen;

zit-veranderen; kreitsen met één been tot zitsteun;

borst- of rugsprong, voorafgegaan door ten minste één voorwaartschen of achterwaartschen zwaai in steun op gestrekte armen, en gevolgd door eene na-beweging.

2. Rek.

Eén oefening, ontworpen uit ten minste drie der volgende oefeningsvormen:

met draaien om de breedte-as komen van stand or hang tot streksteun borstlings of tot zitsteun (geen „kippen"); uit streksteun draaien om de lengte-as oi om de breedte-as tot steun;

het komen tot streksteun ruglings en uit dien steun met draaien om de lengte-as overgaan tot gebogen omgekeerden hang borstlings;

kniedraai of -zwaai binnen of buiten den handengreep; zwaaien in hang. Neer- of afsprong ook met i/4 of Yj draai en eene nabeweging.

(In deze oefening mogen geen buigsteunen en mag' geen ruglings omtrekken voorkomen).

3. Ringen.

Eén oefening, ontworpen uit de vormen onder a. of uit die onder b. genoemd.

a. zwaaien in hang (ook omgekeerden hang); overgaan van den eenen hang in een anderen met of

zonder draai om de lengte- of breedte-as tijdens hetzwaaien; neersprong, ook voorafgegaan door ]/* of 1/3 draai.

b. sprong tot streksteun en duikelen tot hang; komen tot een tweeledigen hang en eene oefening

in dien hang;

draaien om de breedte-as.

Sluiten