Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Bij de oefeningen, onder a. bedoeld, zh'n de oefeningen in het z.g. disloqueeren uitgesloten).

Opmerking: Bij de bovengenoemde oefeningen, onder B bedoeld worden de neer- of afsprongen en de nabewegingen niet bij de bewegingsvormen gerekend, die meetellen bij het opgegeven aantal van 3.

C. I. Klimmen.

Eén klimoefening, nl. met gebruikmaking der beenen en telkens met ombuitelen tot gebogen omgekeerden hang en opgetrokken knieën in één touw klimmen, zóó dat met vier keer ombuitelen en telkens hooger grijpen der handen ten minste eene hoogte van 4 M. is bereikt. (Uitgangsstand en -houding vóór den aanvang : stand op één been, het andere gestrekt achterwaarts geheven; de handen in buitengreep om het touw, de bovenste hand niet hooger dan 1,70 M. van den grond).

Het dalen geschiedt eveneens met gebruikmaking der beenen en met terugbuitelen. Het klimmen en het dalen ononderbroken en niet vlug uit te voeren.

2. Kogelstooten.

Twee oefeningen, nl. een kogel van 7,25 K.G. éénmaal met den linker- en éénmaal met den rechterarm vèrstooten. Geen der beide stooten mag minder zijn dan 5,50 M. en beide bij elkaar geteld niet minder dan 11,50 M.

(Vóór, tijdens of na den stoot mag hij, die stoot, niet voorbij de beginstreep komen; voorwaarts buigen of neigen van den romp zondér aanraking van den grond met ééne of beide handen is geoorloofd).

Aan eiken. stoot, zoowel links als rechts, gaat een gelijkzijdigen schijnstoot vooraf (zonder kogel), zoodat ononderbroken en langzaam de bewegingen, voor het uitvoeren van een goeden stoot vereischt, worden nagebootst.

3. Staafwerpen.

Eén worp met den linker- of den rechterarm met eene staaf van 1 M. lang en 3 K.G. zwaar, zóó, dat het vóór- of werp-einde van de staaf gedurende het

Sluiten