Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wacht vriend, ik zal jou wel wakker maken," beloofde Jan en ging naar de slaapkamer, vanwaar hij terugkeerde met een scheerkwast vol dottende witte zeep — „Daar is hij mal van. Kom slaapkop, papaverbol, — ruik je dat, — is die lekker, wandelende anthracietklomp?" en hij tipte even de kat met de kwast op den neus. Het roode tongetje likten den witten dot af, de poes strekte zich, spalkte de groene oogen open, klom toen bedaard naar de tafel naast den stoel, waar Jan de kwast had neergezet en begon deze voorzichtig, met een wellustig proevend tongetje, af te likken.

Jan schaterde, — in den hoek grinnikte George.

„Dat kan immers nooit goed wezen," opperde ik.

„Och wat," weerde Jan af. „Hij kwam er zelf om bedelen 's morgens als ik me scheer. Eerst wist ik niet wat hij wou, — op laatst klom hij op de waschtafel, likte de kwast schoon. En nou krijgt Kobus eiken morgen een kwastje zeep en 's middags vóór tafel, — niet waar zwart jas? — dat is fijner dan taartjes in tearooms." En bij aaide het donkere dier, dat behaaglijk ■spon.

„Dat is een ander beest, dan die we vroeger hadden, — weet je wel, van Mina?"

Uit den hoek klonk een snorkende lach. George lacht zelden, heeft voor de grootste levensgebeurlijkheden meestal slechts een glimlach of een paar naïef verwonderd opgetrokken wenkbrauwen over. Behalve zijn werk schijnt niets diep op hem in te gaan. Hij is driemaal verloofd geweest en driemaal ging het af, omdat George zoo'n nare suffert was. Dat is hij echter niet — alleen heeft hij andere belangstellingen dan de meesten, — vindt een mandoline, een schilderij, een mooi geslepen glas veel belangwekkender dan vroolijk meisjesgesnap. Als George zoo snorkend lacht moest het geval heel dwaas zijn.

Sluiten