Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar niets op het oude gezicht, wekte een voorstelling op.

„We liepen samen wel naar huis," hervatte de kellner met gedempte verlegen stem. „Weet u niet, dat we samen nog eens in het Rapenburg door een bijt zijn gezakt ?"

Opeens schoot de herinnering in hem op, zag hij den ouden schoolkameraad onder het masker der oude trekken, herkende hij den oogopslag.

„Kerel — Vermeer — God man, hoe komt dat nu zoo? Toe ga zitten, steek eens op. — Ja — ja, de Papengracht — een klein huisje met een groene deur en een tuintje, waar je konijnen hield. Nou weet ik het. Toe ga nu zitten en vertel eens." Vermeer bleef staan, het hoofd gebogen. „Toe kerel, geef me nu eerst eens een poot. Kom, kom, dat we elkaar nou hier terugzien."

„Ja, ja," — zei de kellner en zuchtte. Een stilte viel. Van Beveren trok zijn niet aangenomen hand terug. Het duurde even. Toen ratelde op de gang hard een schel. De kellner richtte zich op, sloeg het servet over den schouder, ging naar de deur: „U neemt me niet kwalijk, dat ik zoo vrij was m'nheer..." „Als je niet uitscheidt met je ge-m'nheer en als je niet als de drommel terugkomt met een paar glazen en een flesch en een sigaar met me rookt, dan kijk ik je niet meer aan.. ."stoof Van Beveren op eens gemaakt kwaadaardig op.

De kellner verdween. Roerloos, midden in de kamer, bleef van Beveren naar de deur staan kijken, wachtte. En terwijl hij daar stond dwarrelden de gedachten, de herinneringen in hem op, ontstond naast een diep gevoel van medelijden een vaag besef van schaamte.

Het duurde een poos eer de kellner terug kwam, zónder de bestelde flesch. „U moet me niet kwalijk nemen," begon hij aarzelend — „maar — enfin — het zal voor u toch óók niet prettig zijn me weer te zien."

Sluiten