Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GEBROKEN NEUS

HOE kom je toch aan dien zonderlingen zig-zag in je voorgevel?" dorst ik eens te vragen, toen ik hem wat beter kende en me weer verwonderde over de eigenaardige wringing in zijn neusbeen, dat zijn wel prettig gelaat ontstelde. „Of ben ik indiscreet?"

„Volstrekt niet," antwoorde Jan. „Integendeel; ik vertel je graag de heele geschiedenis; het is een verontschuldiging voor m'n ongunstig uiterlijk."

„Nou — ongunstig..." verzette ik me.

„Ja — ongunstig" — zei hij stevig. „Als je wist, dat de politie me op de hielen heeft gezeten omdat die neus van mè klopte met het signalement van een gevaarlijken boef, die óók een gebroken neusbeen had (overigens was de man pokdalig en had hij een glazen oog, — hoedanigheden, die ik mis) — als je wist, dat ik tweemaal de bons van een meisje gekregen heb, omdat — zooals ze beiden met andere woorden zeiden — er iets in m'n gezicht zat, dat ze eigenlijk een beetje huiverig van me maakte, — als je wist, dat m'n ongunstig uiterlijk bij sollicitaties ketsend werkte en stommeren werden benoemd — als je dat alles bekend was zou je begrijpen, dat ik me graag verontschuldig voor den zig-zag in m'n voorgevel, zooals jij dat noemt.

De geheele geschiedenis kan jou overigens tot een waarschuwing dienen, een waarschuwing om niet met onhandige menschen uit te gaan. Karei — een oude schoolkameraad van me, was zoo'n onhandige kerel, in alles wat hij deed en het. Het was aangeboren — onverbeterlijk. Op school kon je er zeker van zijn, dat — als er een ruit werd ingeslagen, een lamp gemoerd, een kachelschuif gesloten stond, iemand van de trap tolde, op scheikundeles een pipet of een reageerbuis knapte,— het Karei was.

Sluiten