Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We stoven den Leidschen weg op. — We zijn door Gouda gekomen en Boskqop. Op een wegwijzer heb ik „Richting Tiel — 16.3 K.M." zien staan, Of we door het gat gekomen zijn weet ik niet. Er was geen houden meer aan. Onze weg werd bepaald door de overweging of we een bocht konden nemen of niet. En de makkelijkste bochten brachten ons noodlottigerwijze steeds verder van het doel. En hoe verder we van huis raakten, hoe minder Karei van stoppen wou weten.

Ik geef trouwens graag toe, dat — toen we tegen etenstijd ergens in den Achterhoek bleken te razen — ook ik niets meer van stoppen wou weten. De moed der wanhoop had me te pakken. Ik moest en ik zou met die ellendige, rammelende, ratelende, knallende, wolkende, daverende donderkar naar Haarlem, — al zou het vier en twintig uur duren, — al zouden we de elf provincies doorjakkeren.

Nooit van m'n leven heb ik zóóveel van m'n land gezien; — en ik hoop het ook nooit meer zóó te zien. Waar we allemaal doorschoten is me onbekend *, alleen was het verbazingwekkend hoeveel kippen en andere beesten er op de dorpsstraten plegen rond te slenteren en hoe hard zoo'n boerenhond bij slot van rekening nog kan loopen. Een had schik in het streepje van m'n broek — en bracht er een staaltje van aan zijn baas.

De ondergaande zon scheen ons nu pal in het gezicht. Onze richting was blijkbaar weer westelijk geworden. Je zoudt gezegd hebben, dat we in een woestijn ons doel moesten zoeken, want nooit hebben motorrijders zich minder bekommerd om wegwijzers, „verboden"-bordjes en zoo meer. We hadden er geen gelegenheid toe, waren er ook niet voor in de stemming. Met een holle maag te jakkeren, te hobbelen, te schudden, te trillen op een stoomend gewelddadig onding, is iets, dat je suf en stomp maakt. Alleen zaten we ons beiden te verbazen, dat benzine en olie het zoolang uithielden en dat de motor nog

Sluiten