Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steeds niet ingeloopen was, nog steeds bij elke poging tot matiging zóó raar hokte en bokte, dat je niet wist hoe gauw weer volle kracht te geven om maar in 's hemelsnaam niet met het ding, dat zoo zwaar „zoog" aan den weg te blijven staan.

„Inderdaad een zonderling zoogdier," meende Karei en die flauwiteit had me moeten waarschuwen, dat de man niet meer zijn zinnen volkomen meester was en een ramp aanstaande kon worden geacht.

Het begon te schemeren en tegen den nog glorenden avondhemel ontwaarden wij ten tweeden male dien dag den toren van Amersfoort. Ik kan het ding sedert niet meer zien. De lamp aan te steken, daaraan viel niet te denken en in het donker naar Haarlem te rijden was wel niet prettig, maar het moest, — we zouden het niet eerder opgeven dan de motor.

Vast waren we overtuigd ditmaal de bocht naar Hilversum te kunnen halen.

We haalden ze en meteen — hoe het kwam weet ik nóg niet — raakten we op den berm van den weg. Er stond wat struikgewas en een breede sloot lag er achter. Dat merkte ik allemaal later.

Een feit was, dat ik na een reeks van verbijsterend snel op elkander volgende gebeurtenissen en knallen aan den overkant van die sloot lag, met geen natten draad aan het lijf, doch met een hevig pijnlijken neus, die — toen ik de overtollige klei er uit verwijderd had — krankzinnig begon te bloeden.

Na een poosje kwam Karei druipnat naast me liggen kreunen en onthulde me een gebroken been te hebben, dat achteraf een gebroken arm bleek te zijn. Maar dat doet er minder toe. De motorfiets, die ik, na haar onmatige verrichtingen van dien dag, in staat had geacht alléén op den kant te krabbelen en dwars door de weilanden den rit zónder ons voort te zetten, — stelde me teleur. Ze bleef met een gebarsten cylinder in de sloot hg-

Martin Invallen. 2e druk. 1 1 3

Sluiten