Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I toen, zooals een zwarte bij zwerft van bloem tot bloem, zwierf hij van stad tot stad, en van het eene land naar het andere: en hij ging Noordwaarts en Oostwaarts en Westwaarts en Zuidwaarts, tot de olifanten van de acht kwartieren hem als 't ware van gezicht kenden.

Toch vond hij nooit iemand die hem den wee kon

wijzen, of die ooit den naam gehoord had van het Land van de Lotus van de Zon. En al dien tijd brandden de zonnen van de heete seizoenen hem als een oven, en de koude seizoenen bevroren het bloed in zijn aderen, en de regens brulden over zijn hoofd als een wilde olifant, en ten laatste zeide hij tot zichzelf: Nu ben ik al driemaal zes seizoenen aan 't zoeken geweest, en toch weet ik niet meer van den weg waar het Land van de Lotus dan ik te voren wist. En ongetwijfeld, als zulk een land bestaat in de wereld, kan het alleen bekend zijn aan de vogels van de lucht. Daarom zal ik nu de woningen der menschen verlaten, en het Groote Woud ingaan, want alleen op deze manier zal het ooit mogelijk voor mij zijn een land te ondekken, waarvan geen menschelijk wezen ooit heeft gehoord.

Sluiten