Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hartstochtelijke beoeienaars in weer wat later tija noemt men aen Chevalier de St. Georges, Isabey père, de schilder, en de Lamartine, de dichter, die wenschte dat het altijd winter ware, om altijd te kunnen schaatsenrijden. In Duitschland, waar het schaatsenrijden al heel vroeg inheemsen was, vond het een groot minnaar in den dichter Klopstock. Lessing schreef in 1771: „Klopstock is in Hamburg. Ik weet niet hoeveel vrouwen en meisjes hij reeds overreed heeft te leeren rijden om hem •gezelschap te houden". Toen hij den tijd zag naderen, dat dit vermaak hem zou worden ontzegd, dichtte hij:

Also muss ich auf immer, Kristall der Ströme dich meiden? Darf nie wieder am Fuss schwingen die Flügel des Stahls? Wassercothurn, du warest der Heilenden einer; ich hatte, Unbeseelet von dir weniger Sonnen gesehen! Manche Rose hat mich erquickt; sie verwelkten! und du liegst Auch des Schimmers beraubt, liegest verrostet nun da!

Minder dichterlijke lieden hadden deze verzuchting kunnen slaken. Gevallen van 85-jarige en zelfs honderd-jarige mannen en vrouwen zijn geboekt, die, als het eventjes kon, zich nog op de schaatsen bewogen.

In Engeland bracht Karei II, die vele jaren ten onzent in ballingschap had doorgebracht, het schaatsenrijden in de mode. Samuel Pepys, de beroemde kroniekschrijver, getuigt dat hij op 1 December 1662 voor het eerst zag schaatsenrijden.

Het schaatsenrijden, ook in den vorm van loopen op een soort plankje onder den voet gebonden, werd in den strijd met de Spanjaarden, en later met de Franschen in 1673 veelal met succes toegepast, en gansche scharen boeren en burgers maakten het den vijand dikwijls geducht lastig met hun strooptochten.

Het kolven op het ijs was reeds in Breero's tijd veel in gebruik, zooals blijkt uit zijn „Moortje", waarin Lambert de Vader, die naar de ijspret is komen kijken, maar op het voetpad langs het platte Amsteldijkje is blijven staan, omdat hij wanneer hij op het ijs ging, aan de ruigemaats een duit moest geven, ook ziet, dat een vrouw een kolfbal tegen 't hoofd krijgt.

Natuurlijk is dit echt nationale en opwekkende vermaak door Hollandsche dichters veel en aardig beschreven en bezongen. Breero, Huyghens, Cats, van der Goes, Six van Chandelier, Onno Zwier van Haren, Le Franck van Berkhey, Potgieter, Tollens, Bogaers hebben er veel verzen aan gewijd. Bij Breero en Huygens vindt men uitvoerige

Sluiten