Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij heeft een blauwen raagbol op, Van schaapen, als een tweede kop. Hij houdt een bootshaak op den nek, En slingert fraai een staagen trek Van halve maanen, of gelijk Een paalingh bochtich woelt in slijk, Wijl voet voor voet, fel zijdlinks roeit, En girst in ijs, en locht, geschoeit Op yzers scherp, en smal, en langh. Voor krom, gelijk een halve tangh, Gedekt van wilgen, na 't fatsoen Van sijne koussooi, of sijn schoen, Die hij onroerlijk daarop bindt En snellik zoo steekt door den wind.

Na dit bijna heroïsch beeld, dit gemoedelijker:

Twee boeremeisjes van Abkou, Die stooven ook, met douw op douw Met handen en gezigt vooruit; Haar rokken, waar veel wind op stuit Draaistaarten als een drabbelende eend, Haar troni, door den wind, beweend Gloeit, als van winterroos gekweld, Haar lip berst open en vervelt.

Andere dichters hebben de vrijerij op het ijs bezongen, want van oudsher knoopte men op schaatsen de losser of hechter liefdesbetrekkingen aan en ontstond daar een vrijer verkeer dan op het land veroorloofd was.

Cats wist het natuurlijk ook al te zeggen:

Het is wel eer geweest een wijs in onse landen, Dat midden in de kou de jonge lieden branden. Het ijs was als een perck daer in de liefde joegh, En meenigh aardigh wilt na synen tempel droeg.

Potgieter's „Wijs Klaertjen op 't Ijs" behandelt hetzelfde thema met meer zwier:

Schalk zoetje! Nu moet je Met mij op de baan: Wij kunnen niet jonger een flikkertjen slaan.

Minnaars schrijven met hun bogen de letters van den naam der geliefde, en op een Fransche prent geeft een juffer op deze wijze haar adres op.

Sluiten