Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ar heeft ook haar zanger gehad, en wel in onze moderne litteratuur: de kernachtige prozaschrijver en dichter Jac. van Looy gaf onder den titel „Nieuwe Bijlagen" een berijmd verhaal, waarin het volgende voorkomt:

Het vroor en vroor en al die sneeuw Leek daar te liggen voor een eeuw. En 't was toen of in wijden kring De klare ruimte aan 't zingen ging. Want wat des winters buiten woont, In heerenhuis of villa troont, Kwam plotseling tot een besluit. Hun arren togen klinkend uit Hun hekken die in vreemde talen Veel vaderlandsche deugd verhalen En langs de wegen, slag op slag Vertoonde zich toen als gcvlag Lijk bloemen in het zomer-ruim De kleuren van een paardenpluim; Ter kop, ter haam, wijl bij de schoer Danste ten pooten 't bellensnoer. De voerman op zijn achterstand, De voeten schrijdelings geplant, Het bovenlichaam stram op zij, Als een die zeilt en helt ter lij, Met snor en staartmuts als een pop De pelskraag tot zijn ooren op, Bestuurde 't ros, langs kijkend heen, Die hij deed toeren meer of een. .Geknuffeld in de schulp der ar, Met mardermof en voor het bar Zoo lange stil te zitten moeten, Een waterstoofje bij de voeten; Roówangig en een wijle wel De knieën onder 't tijgervel. En sóms ter kant staand van de sleed' Nog 'n zwartgepélsde medegleed. Zoo togen zij door 't witte land Den winter vierend naar den trant Met zilverige rinkeling En kristalijne tinkeling.

Met deze mooie beschrijving — op zich zelf een oud-Hollandsen schilderij — kan ik dit relaas van allerhande ijssport wel besluiten. Uit de oud-Hollandsche prenten, oneindig in getal, is slechts een kleine keus gedaan, en sommige, wat al te oubollig-plat, moesten om die reden al uitblijven.

• ♦ ♦ •

Sluiten