Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

romantiek naar het natuurlijke drama streefde — altijd een eenigszins gewild-indrukwekkende, gestyleerde, zelfs verstarde actie. Het is ook daardoor, dat zij zich weinig gelegen laat liggen aan de losse, levendige bewegingen, die de sport veroorzaakt, want zij heeft geen zin voor het natuurlijke als zoodanig en geen behagen in de actie, die geen symbolische beteekenis heeft.

Om voorbeelden van sport en spel in kunstwerken te vinden, moeten wij dus ten allen tijde terecht komen bij het realisme, dat schik heeft in de tierigheid der menschen, dat hen in onbevangen oogenblikken bekijkt en dat de beweging der ledematen en organen bestudeert als uitingen van het leven, dat boeit en weer boeit.

Zulke realisten zijn — bij alle groote verschillen, die tusschen de opvattingen en stijlen verder mogen bestaan — de Grieken geweest, zulke realisten zijn de Japanners in hun achttiende-eeuwsche houtsneden; zijn de begin-zeventiende-eeuwsche Hollanders geweest, en wel in het bijzonder de zedenschilders en makers van zedeprenten onder hen; zoo zijn de Fransche schilders en graveurs uit de 18de eeuw geweest, de Engelsche illustrators uit de eerste helft der 19de eeuw en de impressionistische schilders en teekenaars uit onzen eigen tijd.

Zooals ik zei: natuurlijk bestaan er enorme verschillen van aard, opvatting, stijl en trant.

Dat de Grieken realisten waren, is niet te ontkennen. Zij waren het niet alleen in die luchtiger manifestaties der versieringen van vazen en andere ceramiek, waarvan hier eenige specimina gegeven zijn, maar ook in hun groote beeldhouwwerken. Van hun goden en godinnen maken zij — ongelijk aan Egyptenaren, Indiërs en Chineezen — geen vreemde, fantastische wezens, organisch verschillend van al wat de natuur oplevert, maar menschen, slechts in zooverre ideëel, als alle volmaaktheid ideëel is, of ons nu zoo voorkomt.

Het lag dus in hun lijn, het spel even goed af te beelden als b.v. den krijg, want het behoorde tot datzelfde animale leven, dat hun goden, geen toonbeelden van wijze bezonnenheid of ascetisme waarlijk, even sterk of nog intensiever leefden als zij zelf, $m leven van begeerten, strijd en mededingen. En in hun eigen maatschappelijk bestaan nam het een groote plaats in. Zelfs het tollen en hoepelen van hun kinderen, nog zonder belang voor den lichaamscultus, die bij hen zoo hoog aangeschreven stond, werd afgebeeld; een sterk bewijs voor den zin hunner kunstenaars voor de werkelijkheid als zoodanig.

Sluiten