Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of: »Wel, natuurlijk heeft een paard zijn goede zijden en zijn kwade. De kwade zie je dadelijk, maar de goede — je kunt nooit weten hoeveel goeds er in een paard zit, voor je het goed en wel kent."

Of wel men heeft aanmerking op den kop gemaakt, die niet mooi is:

»Goed, ik stem u toe dat zijn kop niet heel mooi is, maar kijk nou eens naar Gladstone, dat is de knapste man in heel Engeland, en wat heeft die nu voor een kop!"

Het paardrijden is een lichaamsbeweging, die om zoo te zeggen zoozeer is opgegroeid met het menschdom, dat het ons nauwelijks vreemd voorkomt, te vernemen hoe volgens de tradities allerlei wezens uit de geestenwereld eveneens van paarden gebruik maakten, terwijl wij ons toch niet zouden kunnen voorstellen dat zij aan andere sport, tenzij dan bezemsteelrijden hadden gedaan. Zelfs schijnt bij die wezens een paard dikwijls een zoo begeerlijk bezit te zijn geweest, dat ze zich onder de menschen begaven en er zich een voor groote sommen aanschaften. De kroniekschrijver Reginald Scot verhaalt van een boer die op de markt zijn paard niet had kunnen verkoopen voor den prijs dien hij vroeg, en die bij zijn terugkeer een vreemdeling ontmoette, die op een melkwit paard gezeten was, en die hem vroeg mee te gaan en den vollen prijs voor zijn paard bood. De vreemdeling noemde als zijn thuis een plaats waar de boer nooit van gehoord had. De man vertelde toen nog, dat hij een zekere Learmonth, een profeet was, waarop de man wel wat bang werd, vooral omdat de weg dien ze bereden hem zoo vreemd voorkwam. Hij zette echter door, en werd onder den grond gebracht, bij een schoone vrouw die zonder een woord te zeggen, het geld gaf. Hij werd toen uit de grot gebracht langs een leger van zes honderd man in volle wapenrusting, die op den grond lagen, en toen hij in het open land terug was, bevond hij zich op de zelfde plaats waar hij den vreemdeling had ontmoet, en het geld was het dubbele van wat de vrouw hem gegeven had.

Er zijn meer zulke verhalen, maar meestal bleek het geestengeld bij aankomst in het rijk der mensehen verdwenen, zoodat deze boer er buitengewoon goed afkwam.

Ik zal hier een klein stukje van E. J. Potgieters Gedroomd Paardrijden aanhalen; niet te veel want het gedicht, hoeveel moois het ook bevat, is bijna te zwaar om hier geciteerd te worden. Hij geeft hier het portret van twee paarden, een hengst en een merrie:

Sluiten