Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na deze wijsneuzigheden zal »De Hengelaar" van Jacobus van Looy ons weldadig aandoen.

»Hij stond in zijn eentje te hengelen. Droog, lang, hoekig van magerte, maar in zijn degelijke waterproef jas, in de lenden met een trekker dichtgenaaid, als in een huid voor hem veel te wijd: op net oude vondertje thuis, stevig op zijn schuitvormige laarzenvoeten, stond hij te loeren in het natte geklots van het Amstelwater. Naar het gespoel van zijn rooden dobber, een eind ver in den stroom, hield hij zijn rustigen rentenierskop gekeerd, met kalm geknepen oogen kijkend uit een door niets van zijn stukken te brengen aangezicht, met turende oogjes uit een gelooid vel als van leêr, verdroogd door rust en veel buitenlucht."

»'t Weer was buiïg, het regende bij vlagen, doch hij stond aldoor hetzelfde, den buik een beetje vooruit, ongevoelig voor nat of droog, als vergroeid met zijn verweerd vlondertje.

»En 't hinderde hem volstrekt niet als de regen tegen zijn rug aansloeg; telkens kwamen er nieuwe buien van uit het zuidwesten drijven, de wind was bijna vlak zuid, juist goed weer om te hengelen.

»Maar hij stond al-maar-door, stuursch in zijn natte vischachtigglimmende zwarte huid, kalm turend in het grauwe, opgeruide water, waarin de regen soms spikkelspatte; de stroom ging als gestuwd, ook wanneer de wind niet flakkerde, onder hem voorbij, met donker opschuivend watergevlak; de Amstel beroerd door buien hobbelde voort, de deining klotste en sloeg witte schuimstrepen voor de palen van zijn vlondertje uit, zijn dansende dobbers vroegen al zijn aandacht."

Ik heb uit deze schets alleen de zinnen genomen, die den hengelaar zelf kenschetsen in zijn geduldig staan; wie ze als geheel wil genieten sla ze in het »Proza" op.

Sluiten