Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fileer dikwijls".

i,^3n normalen "toestand wèl"!

„Bij een ieder"! „De meesten". -

„Geestver. ruwende en karakterbedervende sport".

kan herkennen. De slaap, vroeger zoo gezond en diep, kan men niet goed meer vatten, men voelt zich lusteloos, is | spoedig vermoeid ook bij lichtere "bewegingen, de eetlust is zèèr verm«derd, het gewicht is onevenredig sterk gedaald en men vertoont in het algemeen de verschijnselen van zenuwzwakte''. -

«Zeer dikwijls wordt de trainer als 't ware wakker geschud doordat zijn leerling de verschijnselen vertoont van een darmcatarrh. Dat hij die krijgt, komt juist doordat hij reeds, verzwakt zijnde, geen weerstand kan bieden tegen éen schadelijk' agens voor zijn darmsysteem, waartegen bij in normalen toestand wel bestand zou zijn geweest („Ö zoo" — interrumpeert wederom: van Dieren) Juist het zenuwstelsel,

waarvan veel gevergd wordt, heeft ook flinke rust noodig, wil het niet in een toestand van oververmoeidheid geraken. Ook bij zeer geregelde levenswijze kan men bij een ieder(\)jiie in training is, gemakkelijk waarnemen hoe het geestesleven verandert („ O zoo" —van Dieren). DemeestenQ.) worden prikkelbaar . („O zoo" —vanDieren)-zooals altijd het geval is, wanneer groote eischen aan het zenuwstelsel worden gesteld; volmaakt gelijken - zij daarin op paarden, die voor een wedren worden afgericht en waarvan het bekend is, dat zij in hooge mate prikkelbaar zijn. Het hooger staande wezen, de mensch vertoont nu behalve deze algemeene eigenschap bok nog andere veranderingen in zijn gemoedstoestand, verschillend naar de geestelijke eigenschappen, die hij ook reeds in zijn gewone leven vertoont. Wij hebben er gekend die in training zijnde zeer geestig werden, welke eigenschap zij ook wel buiten dezen tijd maar in" veel minder mate bezaten. Anderen weer werden hinderlijk 4M.nhallg(.Gt\tVsca''r — van Dieren) weer anderen werden min óf meer ontoerekenbaar en deden handelingen welke zij zeker niet in gewone omstandigheden zouden bedreven hébben''(!) Mij dunkt: het is welletjes! Als een geestdriftig sport-minnaar (tevens beroemd trainer!) reden blijkt 4fe hebben om er zoo over té schrijven, dan bad er gerust aan toegevoegd mogen worden: ,ik ben het volmaakt met mijn collega van Dieren eens; niet ten onrechte heeft deze de uitdrukkingen .lichaam-afbeulend, geestverruwend en karékterbedervend" gebezigd."

Helaas, Dr. Meurer, die zoo'n goeden kijk heeft op de gevaren en de droeve gevolgen, is hiervoor teruggedeinsd; hij blijkt er

zelfs in geslaagd pl^ mcta zeil wijs te matten, aai « ure h»». deelige gevolgen bést lÉirkömen kunnen worden;*n wel^Df^ |ll<«yndrachtige samenwerking, van geneesheeren (.liefst medici, ' die ook aan sport doen of gedaan hebben") en trainers] De geneesheer moet de geschiktheid beoordeelen; de trainer .moet waken over de gezondheid ban hem, die zich aan zijn leiding toevertrouwt. Hij moet ü staat zijn om de eerste verschijnselen van overtraining te ontdekken, op een tijdstip dus dat het gevaar voor overtraining nog is af te wenden" enz. enz.

Het is mitó* inziens vèèl gemakkelijker dit op papier neer te schrijven dan het in toepassing te brengen! Uit de eerlijke medejdeélingen van Dr. Meurer blijkt, dunkt me, duidelijk genoeg, dat zelfs hij — de bekwame medicus èn irainer — ten deze te kort geschoten is; hij schreef immers zélf: „Bij ieder die in training Wm is kan men gemakkelijk waarnemen hoe het geestesleveajgfe^ ' andert. De meesten worden prikkelbaar. . . .. Anderen weer werden hinderlijk aanhalig, weer anderen werden min of ' ' meer ontoerekenbaar en deden handelingen, wélke zij zeker niet in gewone omstandigheden zouden bedreven hebben!'

Samenwerking van geneeshee-■ ren en trainers.

Het wil er dan ook niet bij mij in, dat .lichaamsoefening" die zulke verschijnselen ten gevolge heeft (volstrekt niet bij uitzondering maar wèl bij ieder of bij de meesten, nuttig en noodi^m^J zijn'voor bet opgroeiende geslacht. Ook op dit gebied sullen we mijns inziens terug moeten keeren tot de oud-Nederlandsche gewoonten. De sportredacteuren stellen het telkens voor als zou dit J)eteekenen dat .de jeugd weer moet gaan kienen bij moeders pappot of moet gaan luiwammessert in de kroeg" (deze uitdrukkingen«dén ze telkens tegen mij uit!). Volstrekt niet! Het is glad verkeerd om te meenen, dat in vroeger tijd de jongelieden sufferds en luiwammessen waren; maar wèl is het waar, dat tegenwoordig de meesten vèèl te veel van hunne lichamen vergen door overal aan mee te doen; als ze 't lieten bij: matig zwemmen, spelevaren of seilen in het warme jaargetijde,, kalm en mooi schaatsenrijden *s winters, nu en dan een niet overdreven fietstocht, dikwijls een matige wandeling, en verder wat orde- en lenigheids-oefeningen (gymnastische bewegingen), dan zouden zij op den duur lichamelijk en geestelijk hèèl wat mèèr kunnen prestepen, d. w. z. evenveel als hunne voorgangers!

Dat Dr. Meurer niet al te zeker Js van zijn zaak, blijkt het best

Terug tot het oude.

Een onbillijk oordeel. ^

Sluiten