Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in lange flitsen vurrg op ons aan, en droog geknetter breekt de harde lucht. En toen een stilte. Klaaglijk zachte stem kreunde daarin, als een kaarsvlammetje aan den rand van wijde duisternis beert. . . .

En toen .... als een gemarteld dier van 'twoud

opspringt, en in een schreeuw vol woeste wanhoop

uitstort zijn radelooze stervenspijn,

zoo sprong een kreet op uit het donk're kluwen

dat zich daar wentelde in de roode sneeuw.

Toppen spitsten zich daarin, schril van vhaat

en in zijn diepten beierde een lage

doodsklok 't graflied van hoop, gewijd door d'eeuwen

en ouden eerbied, die nu stierf in 't hart.

O heilig keizerschap, toen is uw purper

gelijk een ster, gevallen en gedoofd....

Zoo als een vuurkolom, een zwart- en roode

zuil stijgt van smook en vlammen, steeg en stond

die kreet één oogenblik, ontzag'lijk, uit,

boven de bloedende verslagen menigt,

waggelde** en viel in luid gekerm ineen....

STEM UIT HET KOOR.

O wee over d'arme bloedende kindren!

RADOM.

Als schaarsche boomen, die de houthakkers hebben gespaard van 't neergevelde bosch tusschen de stompen hun eenzame stammen heffen omhoog, zoo stonden overend wij enk'len, boven rijen van gemaaide makkers, verminkt of dood aan onzen voet—

ISMAïL. '

O verder, verder: smart om doode^makkers

nijpt 't hart met tangen, haat tot wie ze doodden

Sluiten