Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De maar van rooden Zondag rent door 't rijk

van end tot end, en waar zijn hoeven dreunen

vliegt de arbeidersklasse overeind.

Der doode kameraden laatste schreeuw

schalt uit over de eindelooze vlakte

en boort zijn dreuning door het berggevaart.

Dat is hij, die de doodsche stilte scheurt

die hing, een zwart gordijn, over heel Polen, —

dat is hij, die in 't hart der heerschappij

-de murén sidd'ren doet van 't Kremlin: Moscou,

ontwaakt, — dat zijn zijn duizend echoos, grommend

door uw diepe ravijnen, Kaukasus.

Hoort ge dien schreeuw? Makkers verstaat ge waartoë

de stervenskreet dier duizenden u maant?

Hij maant u te strijden voor brood en vrijheid

in stee ze af te bidden van de heeren

als zij; te doen wat zij verzuirhden. Ziet:

hun brekend oog berouwt de lange dwaling,

hun brekend hart roffelt den treurmarsch over

hun stukgeslagen hoop. O droevig lot:

stervend voor 't eerst het leven te doorschouwen;

gaande als vee ter weerelooze slachting

lokken te zien den schoonen, sterken dood

des strijders, openbreken de verschieten

de lichtende, die men niet zal betreen. . . .

MARIA.,

O schenke 't lot ons als eenige gunst strijdend te vallen, wetende te sterven voor 't rijk der broederschap dat zeker komt.

Zacht glijdt de ziel in dat besef ter ruste

Maar om hun bitter doodzeer krimpt mijn hart.

RADOM.

Gij kunt genooten, het hartzeer bedaren,

dat hun dood aanvrat en met zijn roest over-

Sluiten