Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EERSTE STEM.

In wijde, gemeenzame graven

hebben zij de doode lichamen

— de bloedige, namenlooze —'

geworpen diezelfde nacht,

terwijl ver in verlaten voorsteden,

menig' en menig' eenzame

of een liev'ling, zeer laat nog, zou komen,

zat wakend vergeefsche wacht.

DE TWEEDE STEM.

O arme dooden, als honden weggestopt onder d'aard* zonder eer, — vreesden zij uwer bloedende wonden wekkende spraak zoo zeer?

EEN DERDE STEM.

Wel mochten ze vreezen de bloedige dooden... macht'loos in hun leven gaf dood hun kracht. Hun gapende wonden zijn de tongen, de roode, die onder de aarde manen dag en nacht.

Over hunne graven, zwart, zacht-om-te-treden als geploegde akkers, hangt een mist dieprood, zwelt en valt een klacht uit de duisterheden: „Gedenkt ons, makkers, Gedenkt onzen dood.

Sluiten