Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en peilt zijn diepte, 't Zijn geen zomerwolkjes,

schaapjes, licht aandrijvend op speelschen wind

en die weer vaf tijgen aan klaren hemel:

het zijn de dikke, loodkleurige stoeten

zich samenpakkende van overal,

dood en verderf bergend in hunnen schoot.]

Woorden zijn nu als sluizen: zet ze open

en 't saamgeperste water van 't geschieden

stort woest vooruit.

Mannen- en vrouwenmakkers: de dag, die eenmaal daagt voor alle strijders daagt nu voor ons. Zooals de bergklimmer staat voor den bergwand, die rijst aan zijn voeten,zoo staan wij aangedrukt tegen 't besluit: terug .... de donkere paden die wij kwamen, of, met de tanderl op elkaar, vooruit!

Wege elk de kracht nu van zijn eigen ziel,

en zijner makkers kracht, die hem gezonden

hierheen, hun mond te zijn, en voele in zich

de vreemde huiv'ring van deze gedachte:

„er is geen terug meer van dit besluit,"

en wie die huiv'riiig gansch doorpeild heeft, spreke..

Ik wil u nu d'een na den ander vragen:

antwoordt mij broeders, of uw woorden naakt

opstijgend uit de bronnen van het leven;

antwoordt mij, zooals aan uw eigen ziel (zich wendend tot

den afgevaardigde der mijnwerkers). U vraag ik 't eerste, makkers gij die diep in d' aard delft gestaltlooze oermaterie, helden die niet eenmaal, doch alle dagen, en niet uit hoogen klaren hemel, neen, maar uit haar broeiend-donk're ingewand voor menschheid wint de aardsche zon, het vuur; — mijnwerkers ! Gij leeft dichtst bij 't hart der aarde. De Opstandelingen. 3.

Sluiten