Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op straat. Wij beurden in loon voor gezwoeg

nooit dan de kop'rën penning, reikend nauw

het stuggeloopen lijf te oliën

en klaar te maken voor weer nieuwen arbeid;

de goudmunt nooit, die m'aan de bank des levens

inwiss'len kan voor veiligheid en rust,

genot en schoonheid.

Wat, dan, zouden wij vreezen? Ellende verschrikt ons hart niet. Wij proletaren zagen haar zoo vaak aansluipen, en de scherpe klauwen slaan in t slappe vleesch van onze arme kleinen, en wisten niet, raadloozen, wie haar zond. Nu zal zij komen onze daad, ons werk ; Nu zal z'een doorgang zijn, een enge spleet waardoor het lijf zich wringt uit de gewelven der knechtschap, tot uw zon-doorvloteri velden Vrijheid, te worden nieuwgeplant in u. Nu zal komen een nieuwe nood: gewild, begrepen, niet omnijpend ons alleen: ellende zal haar klauw slaan ook in meesters vleezigen nek, zal ploegen bloed'ge voren door 't poesjesgladde vel van zijn gelaat. . . . O laat haar komen, die hen met onszelven zal medesleuren in één vaart van pijn. . . Glimlachend zien wij naar haar komen uit; zij kan ons niet gansch bitter zijn, die hun bitter zal worden gelijk ons: haar alsem moet dunken halfweg zoet aan onze tong.

Daarom genooten, draagt om onze scharen geen zorg. Ons bindt niets aan dit dor bestaan ons trekt bij 't voorwaarts dringen geen herinn'ring terug, geen zachte band van zielsgehechtheid, of zede, ingevleid den loop van 't bloed.

Sluiten