Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weigerden velen eerst te gaan. Er ging gemor door de kazerne; somm'gen onzer spoorden de anderen met woorden aan fds broeders, Petroff, op d'uwe gelijkend, gehoorzaamheid te weigeren; zij scholden ons lafaards én verraders zoo wij' schoten op 't ongewapend volk. Wij aarzelden in verwarring; wisten niet, wat te doen. Maar onz' off'cieren zeide' ons dat de Joden en de Japanners hadden omgekocht het volk, den tzaar te doode' en zij den grond zoo d'opstand won, onder zich zouden deelen. Zij schonken ons brandewijn, volle glazen, noemden ons duifjes, stieten met ons aan, lieten de roebels voor onze oogen blinken ons geld belovend zoo wij gingen. — Half willig, gedwongen half, trokken wij uit, den optocht tegemoet, die van de reuzenmeeting weerkeerde in d'universiteit. Gij weet broeders wat toen geschiedde: wij wilden den stoet uiteendrijven met sabels, maar uw geleedren waren als een muur. De kommandant had gelast „spaart geen kogels", en enk'le schoten vielen vóór 't bevel

van vuur en een'ge uit de dichte ménigt

zagen wij zinken in den arm der makkers

geluidloos als bloemen omknikken. Stil

werd het en een stem riep over de stilte,

een held're vrouwestem: „Schiet maar: wij vreezen

uw kogels niet; wij willen dood of vrijheid."

En toen ontblootten duizenden hun borsten

en een lied donderde als een hooge zee.

Zooals het koren siddert, als vóór 't onweer de windvlaag zich over zijn rijen stort,

Sluiten