Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden wordt gestraft elke opzettelijke schenoing van de in het tweede lid van artikel 38 opgelegde geheimhouding.

2. " Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

3. Geen vervolging heeft plaats dan op klachte van hem ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.

Misdrijf of overtreding.

Art. 42, De in artikel 40 strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen, die in artikel 41 strafbaar gesteld als misdrijven.

Opsporing van strafbare feiten.

Art. 43. Met het opsporen van de feiten, in de artikelen 40 en 41 strafbaar gesteld, zijn behalve de personen, aangewezen bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering belast alle ambtenaren van Rijks- en gemeentepolitie, en de marechaussee, de in artikel 82 der Ongevallenwet 1901 bedoelde agenten der Rijksverzekeringsbank alsmede de personen aan wie de in het eerstgenoemde artikel bedoelde opgaven of inlichtingen zijn gedaan.

N^am der wet.

Art. 44. Deze wet kan worden aangehaald onder den naam: Ouderdomswet 1919.

Art. 45. Deze wet treedt in werking op 3 December 1919.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat

Sluiten