Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor kennis van den bijbel. Het eigenlijke godsdienstonderwijs blijve aan den godsdienstleeraar overgelaten.

Bij het eindexamen sta de practische bekwaamheid op den voorgrond; wie voor practijk onvoldoende heeft, worde afgewezen. Het eindexamen worde daarom gesplitst in een practisch en een theoretisch gedeelte. Het diploma krijgt alleen die candidate, die voor beide gedeelten voldoende heeft. Wie voor theorie geslaagd is, behoeft het volgende jaar alleen het practisch gedeelte over te doen. Wie voor practijk slaagt en niet voor theorie, moet het volgende jaar het theoretisch gedeelte overdoen en tevens het bewijs leveren, dat zij de practijk heeft onderhouden.

De vraag doet zich voor, of het theoretisch gedeelte van dit examen moet loopen over alle vakken, die op de school, respectievelijk in het laatste leerjaar, worden onderwezen. Opmerking verdient hierbij, dat de parallel met Art. 144 der Wet op het L. O. ontbreekt, waar uitdrukkelijk de laatste twee leerjaren voor de praktijk worden aangewezen met een overgangsexamen van het derde naar het vierde leerjaar. Het ontbreken van een parallel-artikel met art. 144 heeft verschillende gevolgen. Volgens het 3de en 4de lid van dat artikel heeten de geslaagden voor het overgangs-examen „adspirant-onderwijzers" en genieten zij eene toelage uit 's Rijks kas. Onder dezen nieuwen titel kunnen zij zich, evenals vroeger de „Kweekelingen", gedurende twee jaar in de praktijk oefenen, maar alleen aan de door den hoofd-inspecteur daartoe aangewezen Leerscholen, waarvan aan iedere Kweekschool een of meer annex moeten zijn. Voor de nieuwe akte A echter ontbreken de adspirant-onderwijzeressen; in plaats daarvan spreekt art. 9 der ontworpen Bewaarschool-wet weder van „Kweekelingen." Dezen moeten echter leerlingen zijn eener Opleidingsschool; de toelichting op dit artikel zegt uitdrukkelijk, dat het instituut der „helpsters" moet verdwijnen. Art. 9 voornoemd gewaagt echter alleen van „de scholen" en schrijft niet voor, dat die in verbinding moeten staan met een Opleidingsschool. Anders uitgedrukt: in de ontwerpen voor het Bewaarschool-onderwijs ontbreken de leerscholen; in deze leemte moet worden voorzien. Tevens dient de vraag gesteld, of, parallel aan art. 144 alinea 4, ook voor practiseerende

Sluiten