Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. HET VISIOEN VAN RIDDER OWEIN.

Degene, die ons in het Latijn Oweins avonturen heeft opgeteekend, noemt zich zelf H. van Saltrey; meestal wordt de H als de afkorting beschouwd van Henricus en we zullen dus ook in het vervolg maar spreken van Hendrik van Saltrey. Het was een Cisterdenser monnik, van wien we niets naders weten, dan dat htj de legende heeft geschreven ± 1189 en een tijdlang heeft geleefd in het klooster van Saltrey, gelegen in het graafschap Euntmgton en behoorende bij het bisdom Lincoln. Andere bijzonderheden omtrent zijn leven berusten op louter gissingen. De Latijnsche legende is uitvoeriger dan de Middelnederlandsche bewerkingen en men zal dan ook bij een vergelijking van de vlg. inhoudsopgave met den lateren tekst kunnen zien, dat vooral in het begin en op het slot het Middelnederlandsch aanzienüjk korter is

In een praefatio (voorrede) draagt H., een monnik van Saltrey zön werk op aan R., abt van Sarten. Hij wijst er op, hoe hij gaarne uit gehoorzaamheid voldaan heeft aan het verzoek, de legende die in zijn tegenwoordigheid werd verteld, op te teekenen. Het stichtelijke karakter der legende is voor hem een reden te meer aan het verzoek met groote bereidwilligheid te voldoen. Hij beroept zich op de dialogen van Gregorius en op Augustinus, vertelt van zielen die teruggekeerd naar het lichaam, mededeelden, wat haar overkomen was; dan spreekt hö over de plaats van hel en hemel en het aardsche paradijs en verklaart, dat hij wil vertellen van visioenen gezten .quasi in forma et specie corporali" (als in lichamelijken vorm en schijn). Na dit inleidend woord vertelt H. van Saltrey, hoe Patricius in Ierland te vergeefs de Ieren trachtte te bekeeren. Als voorbeeld van de woestheid der Ieren vertelt de schrijver, dat h« gedurende zijn verblijf in Ierland als biechteling een ouden Ier had, die hem als iets zeer gewoons vertelde, dat hij vQf menschen had gedood, maar niet precies wist, hoeveel andere er nog aan de door

Sluiten