Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan vele voorwaarden moet dus worden voldaan, zal van een gemeentelijk subsidie aan andere dan burgerlijke instelgen van weldadigheid sprake kunnen zijn.

Zelfs zijn de voorwaarden nog vermeerderd boven die, welke in de Armenwet van 1854 waren gesteld.

Immers luidden toen de bepalingen te dezer zake aldus: Art. 59: „Na het in werking komen dezer wet, mogen geene subsidiën, uit de fondsen van burgerlijke gemeenten, aan besturen van instellingen van weldadigheid worden toegestaan, dan bij een met redenen omkleed besluit van den gemeenteraad."

Art. 60: „Bij dat besluit moet blijken: „a. dat de volstrekte noodzakelijkheid van het subsidie is bewezen door de rekening en verantwoording der inkomsten en uitgaven van het (daarbij ?) betrokken bestuur over het laatst afgeloopen, en de begroeting voor het loopend of eerstvolgend dienstjaar ; „6. dat ten behoeve van het (daarbij ?) betrokken bestuur, naar het oordeel van den gemeenteraad, op eene billijke wijze is bijgedragen door hen, van wie overeenkomstig den aard der instelling, in den regel bijdragen kunnen worden verwacht; „c. dat het bestuur der instelling, overeenkomstig haren aard en hare bestemming, aan zijne verpligtingen naar vermogen voldoet." Art. 61: „De besluiten der gemeenteraden, krachtens dit hoofdstuk genomen, worden, binnen acht dagen na hunne dagteekening, medegedeeld aan Gedeputeerde Staten. „Deze zien toe, dat niet dan bij volstrekte onvermijdelijkheid subsidiën verleend worden. Zij nemen alle maatregelen waartoe zij bevoegd zijn, om de vermindering er van te bevorderen."

De voornaamste wijzigingen, door de wet van 1912 aangebracht, zijn de volgende:

Thans moet het besluit, waarbij subsidie verleend wordt, dat te voren slechts aan Gedeputeerde Staten meegedeeld moest worden, aan hunne goedkeuring worden onderworpen. Maar dezen wordt niet langer opgedragen alle maatregelen,

Sluiten