Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, die niet onduidelijk uit de wet spreekt, daaruit te verwijderen krachtens de overtuiging, dat veelszins niet aanbeveling verdient de particuliere werkzaamheid op het gebied van armenzorg door subsidiën uit de gemeentekas aan te moedigen en te steunen.

Naar die opvatting heb ik mij dan ook in hetgeen volgt gericht.

Inderdaad valt moeilijk te loochenen, dat deze Armenwet aan gemeentelijke subsidiën ten behoeve van andere dan burgerlijke instellingen van weldadigheid weinig gunstig gezind is. Evenals het reeds het geval was met de wet van 1854.

Ja, meer kan worden gezegd. Zijn in het algemeen de beraadslagingen over de wet van 1912 in de Tweede Kamer der S.-G. zeer kort geweest en weinig belangrijk, — die over de wet van 1854 zijn niet slechts veel uitvoeriger, zij het ook, dat de leden toen beter de kunst verstonden en in practijk brachten, om in weinig uitgerekten vorm hunne gedachten te uiten, en rijker van inhoud, maar ook heeft de kwestie van het subsidieeren een hoofdbestanddeel van de besprekingen gevormd.

Reeds had het ontwerp, door Thorbecke als Minister ingediend, zich afkeerig van deze subsidiën getoond1). Immers luidde art. 78 van dat ontwerp: „Na het in werking treden dezer wet, mogen geene subsidiën, die vroeger niet werden verleend, of tot een hooger bedrag dan vroeger, uit de fondsen van burgerlijke gemeenten aan besturen van instellingen van weldadigheid worden toegestaan, dan bij een met redenen omkleed besluit van den gemeenteraad."

Ook leest men in de Memorie van toel. bij difwetsontwerp: „Gewis zijn aan het subsidiestelsel zwarigheden van onder-

1) Dit ontwerp kwam bij de Tweede Kamer der 8 -G. in de zitting van 1860/51. Maar het werd in die «Hing niet afgedaan. Zelfs vindt.men het niet in de Bijlagen dier zitting. In verband met het toen aangenomen beginsel, dat „sluiting" ook „stuiting" was, werd het ontwerp bij Kon. boodschap van 1 Oct. 1851 op-nieuw ingediend. Ook is het eerst in de Bijlagen dier zitting opgenomen. Zelfs leest men in De Nederlander van 16 Oct. 1851 (no. 400): „Eindelijk was ons de lezing'der reeds in de vorige zitting ingekomen wet op het Armbestuur vergund."

Sluiten