Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loosheid, tot rust, tot slapen. De mensch wordt tot weldadigheid opgewekt door menschenmin, voortgestuwd door godsdienstzin. Deze zijn de goede geniussen, die hem ter regter zijde staan, en hem nopen, om daar, waar hij behoefte ontdekt, hulp en leniging aan te brengen. Maar aan de linkerzijde staan eigenbelang en gierigheid. En wanneer hij de hand reeds in den zak heeft gestoken om eene ruime gift te voorschijn te brengen, dan fluisteren deze hem in: hét is niet noodig. Gij behoeft uw geld niet ten offer te brengen, er is een ander, die het beter doen kan, doen wil en doen moet; laat het aan hem over; gij hebt misschien uw geld voor iets anders, voor de uwen noodig; er kan een grooter nood oprijzen ; en daarin zult gij dan beter en met gunstiger uitkomsten kunnen voorzien; bewaar uw geld. Het gevolg is niet zelden dat de hand ledig terug wordt getrokken, de oogleden der weldadigheid zich sluiten en zij inslaapt. Zoo bestaat de mensch. Zijne weldadigheid moet wakker worden geschud; zij moet worden aangespoord. En dan heeft zij steeds en vooral in ons vaderland, uitnemend veel uitgewerkt." *)

Eindelijk wijze ik op wat Groen van Pkinsterer zeide te bedoelen met de kwalificatie van „een magtig mm>e-corps", die hij op de staats-armbesturen had toegepast: „Het zal wezen eene toevlugt, eene schuilplaats; het zal tegen den algemeenen vijand dezelfde dienst bewijzen, als in een welbekenden veldslag de schepen digt bij het strand, indien de veldheer ze niet verbrand had. Dat verbranden was geen vermetele, maar een stoute greep van den veldheer, die zijne troepen wilde noodzaken tot verdubbeling van inspanning en veerkracht. Een raerue-corps, niet als in den strijd de reserve welke de voorhoede aanmoedigt en ondersteunt; eene reserve die de voorhoede — ik wil niet zeggen ontmoedigt — maar overtuigt dat er voor haar geen strijd te pas komt. Eene reserve die alle opgewektheid tot strijden, dat is hier tot geven beneemt; eigenlijk eene onuitputtelijke reserve-kas, waarvoor uit de beurs der ingezetenen genomen wordt zooveel als men behoeft. Nu verliest in veler oog de gift der kerkelijke of bijzondere lief-

1) T. a. p., bl. 802.

Sluiten