Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van diaconieën de vermenging van „onvereenigbare bestanddeelen", in zoover diakenen „uitdeelers van de gaven eener vrijwillige liefdadigheid moeten zijn," en dit verloren gaat, indien zij „hunne middelen uit de publieke kas, door belastingen gevuld, putten." 1) Inderdaad is op die wijze de steun, dien het kerkelijk armbestuur verleent, niet meer de gave der liefde, die uit broederlijke gezindheid door de gemeente aan hare in stoffelijke moeilijkheid verkeerende leden wordt verstrekt. De Kerk van Christus mag nooit willen andere diaconale hulp van stoffelijken aard verleenen dan die, waartoe de middelen zijn bijeengebracht door geestelijk motief. Een kerkelijke omslag ten behoeve van de armen zou lijnrecht indruischen tegen den grondslag der diaconale armenzorg. De door de diaconie geholpene moet weten, dat wat hij ontvangt, niet is eene gave, die hem met onverschilligheid, of zelfs met weerzin wordt uitgereikt, maar die uit toegenegenheid wordt verstrekt, in dankbaarheid voor de mogelijkheid om den hulpbehoevenden broeder bij te staan.. Voor subsidie, geregeld door middel van belastingen verkregen, die de openbare macht heft, is inderdaad in de diaconale kas geene plaats 2).

Ditzelfde geldt voor burgerlijke instellingen, die op liefdadadigheid zijn gegrond, gelijk de vereeniging „Liefdadigheid Naar Vermogen". Voorzoover dat niet het geval is, staat de zaak natuurlijk anders. Maar, streng genomen, houden zij dan op instellingen van weldadigheid te zijn.

Het voornaamste bezwaar tegen subsidie aan diaconieën,

1) T. a. p. blz. 916.

2) Ook heeft Minister Heemskerk in de Memorie van Toelichting bij de wet van 1912 geschreven dat, terwijl liefdadigheid is het kenmerk van particuliere armenzorg, het algemeen belang de grondslag der openbare armenzorg is. Hij verdedigde de openbare armenzorg or> grond „van het algemeen belang, dat geschaad wordt wanneer burgers in een toestand van groote ellende verkeeren, waardoor immers gevaar dreigt voor de kracht van het volk en voor de rechtsorde." In deze lijn, ook in 1854 getrokken, zou subsidie aan diaconieën eigenlijk beteekenen uiting van vrees, dat anders de leden der Kerk gevaarlijk vóór de rechtsorde konden worden. Zou het voor eene diaconie mogelijk zijn, dergelijke gift te aanvaarden?

Sluiten