Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Gereformeerde Kerken hebben, naar bekend is, nadat zij zich van de organisatie van 1816 hadden losgemaakt, niet slechts voor nieuwe kerkgebouwen en pastorieën moeten zorgen, maar ook derven zij sedert dien tijd alle staatsbijdrage in de tractementen voor hare leeraars. En hoezeer met name van hare leden geldt, dat zij „niet vele machtigen, niet vele edelen" (1 Cor. 1: 26) zijn, zoo zijn die Kerken toch, behalve uit overwegingen van anderen aard, ook hierom van staatstractementen afkeerig, wijl zij voorzien, dat daardoor de ijver om voor het Onderhoud van den kerkedienst te zorgen, onder hare leden meer verflauwen zou dan de bate bedragen, die haar van den Staat ten goede kwam.

En voor zoodanigen achteruitgang van de particuliere bijdragen mag men geenszins onverschillig zijn. Het gevaar van eenzijdigheid, ja, van materialisme, is op het gebied van armenzorg niet gering.

Men wenscht armen te helpen; zal zich verheugen in verbetering van hunne materieele gesteldheid, maar inmiddels vergeet men de welgestelden; offert men die geestelijk op aan voorziening in den stoffelgken nood der armen. Eene maatschappij, waarin de armen op ruime schaal van stoffelijke middelen worden voorzién, maar die inmiddels voortdurend in ware liefdadigheid achteruitgaat; zich niet bekommerende om steeds grootere verkilling van liefde onder de overige leden, zou toch in weinig bevredigenden toestand verkeeren. Men moet toezien, dat de arme niet verhongere, — voorwaar. Maar zeker niet minder, dat de rijke niet geestelijk onderga in vrekheid, waartegen geene beschutting ligt in zijn verhoogd belastingbiljet.

Bij de bespreking van het ontwerp van Minister Heemskerk tot herziening van de Armenwet op de derde algemeene vergadering dezer vereeniging heeft, in overeenstemming met wat de heer Raaymakebs in zijn prae-advies geschreven had, de heer J. Th. Gerlings gevraagd, of niet aanbevelenswaardig waren subsidiën in het belang van de administratieve of technische inrichting van de armenzorg J).

1) Geschriften van de Ned. Vereen, voor Armenzorg en Weldadigheid te Amsterdam, VI, bl. 116 en volgg.

Sluiten