Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

armmeester gereed staat met eene geldelijke ondersteuning."1) Ook de heer van Heiden Reinestein weet voor een deel het pauperisme juist aan de burgerlijke armenzorg: „Die burgerlijke armenzorg werd bij velen aanleiding tot luiheid en werkeloosheid.''2)

En nog schreef enkele jaren geleden Aage Sórensen, dat het Deensche stelsel, volgens hetwelk ouden van dagen, alleen op grond van hunnen leeftijd, aanspraak hebben op onderstand van Rijk en gemeente, den zin tot sparen en het streven om zichzelf te helpen bij de bevolking schijnt te verzwakken3). - Om partipuliere armenzorg tot ontwikkeling, tot groote uitbreiding te brengen; is juist noodig de zekerheid, de stellige zekerheid, dat zij, en zij alleen, voor de nooden der behoeftigen heeft te zorgen. Zoolang zij op eenigerlei wijze met openbare armenzorg verbonden is, kan men nooit oordeelen over hetgeen waartoe particuliere armenzorg in staat is; mist men het recht op het onvoldoende harer hulp te wijzen.

De heer van Heiden Reinestein wees er 11 Mei 1854 op in de Tweede Kamer der Staten Generaal, dat men in Friesland, en, naar hij meende, ook in Groningen de subsidiën verminderd had, en dat de armbesturen zich toch even goed als te voren hadden gered, hoozeer de behoeften waren toegenomen4).

Te vaak wordt bij armenzorg te veel aan de diaconieën gedacht, en "vergeet men zoowel de rechtstreeksche armenzorg der particulieren, als de hulp van niet-kerkelijke instellingen. Maar zelfs durfde 12 Mei 1854 de heer Sloet tot Oldhuis ter zelfder plaatse zeggen, dat de armen, die door de diaconieën zouden worden afgewezen, en zonder burgerlijke of staatsliefdadigheid omkomen, in aantal waarschijnlijk geringer zouden wezen, dan het aantal armen, dat door de burgerlijke armenzorg gekweekt werd, en die men niet in staat zou wezen op" voldoende wijze te helpen, „buiten alle andere

1) Hartdd. enz., bl. 788.

2) T. a. p., bl. 799.

3) In afl. Ib van Zacher's groote werki Die Ar'beiter- Ver-sieherung ini Awtlande.

4) Handd. enz., bl. 800.

Sluiten