Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maatregelen tot sociale voorziening en zij, die ook thans nog het voorwerp zijn van de armenverzorging.

Onder de werking van de wet van 1854 zijn de subsidies uit gemeentekassen aan burgerlijke besturen gestegen; die aan kerkelijke besturen gedaald ; die aan particuliere besturen gestegen; en die aan gemengde besturen vrijwel gelijk gebleven.

Onder de beginselen waarvan werd uitgegaan bij het wetsvoorstel, dat leidde tot de tegenwoordige Armenwet van 1912, behoorde, nevens de handhaving van het subsidiair karakter der burgerlijke armenzorg met loslating Van het beginsel der volstrekte onvermijdelijkheid, ook weder de vermindering van subsidies uit de fondsen van burgerlijke gemeenten aan instellingen van weldadigheid. „Dat de wet op dit punt verouderd zou zijn of uit anderen hoofde aan ernstige kritiek „zou blootstaan, heeft de ervaring dusver niet geleerd," concludeerde de Memorie van Toelichting. Deze opvatting der Regeering vond geen zwaarwichtige bestrijding. Blijkens het verslag der Commissie van Voorbereiding in de Tweede Kamer der Staten-Generaal liepen de meeningen omtrent de wenschelijkheid van subsidieering echter wel uiteen. Er waren leden die tegen subsidieering — onder zekere voorwaarden — van yereénigingen, die een speciale zorg op zich nemen (bijv. voor tuberculose-lijders, voor lijders aan vallende ziekte, tot stichting van landkolonie's, enz.), geen bezwaar hadden, maar onder geen enkele voorwaarde een pen7 ning subsidie zouden willen zien toegekend aan kerkelijke en bijzondere instellingen, die zich de gewone armenverzorging in haar vollen omvang ten doel stellen. Deze moesten doen, wat hare financieele krachten toelieten en het overige terrein ter bearbeiding afstaan aan de burgerlijke armbesturen. Men vreesde van een vrijgevig subsidiestelsel ook bevordering van eenzijdigheid en gevaar Voor de neutraliteit van de burgerlijke overheid. Een aantal andere leden stelden zich lijnrecht tegenover deze meening. „Waar, ook volgens den Minister, „de arbeid van kerkelijke en bijzondere instellingen wordt „geleid door hooge beginselen, die bij de openbare armenzorg „niet of althans niet in die mate worden gevonden, en deze

Sluiten