Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2e. gevallen, waarin tegemoetkoming in de kosten van technische verbetering der armenzorg noodig is;

3e. gevallen, waarin hulp vereischt wordt ten einde het hoofd te bieden aan onverwacht hooge eischen ten gevolge van tijdelijken bijzonderen nood;

4e. het verleenen van ondersteuning aan vereenigingen, die zich ten doel. stellen te voorzien in bijzondere nooden, waarbij goede hulp zeer kostbaar is.

In hoofdzaak stemde de Minister, die vermindering en, zoo mogelijk, eindiging van de subsidieering van kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid voor zeer gewenscht hield, in met hen, die als gevallen, waarin het verleenen van subsidie geoorloofd kon zijn, beschouwden die, hierboven onder 1°—4° vermeld, al achtte hij het niet wenschelijk deze gevallen in de wet te noemen. Er waren z.i. toch ook nog andere „zeer bijzondere" gevallen denkbaar.

Aldus kwam tot stand art. 14 van de tegenwoordige Armenwet, luidende als volgt:

1. Aan andere dan burgerlijke instellingen van weldadigheid worden subsidies uit de gemeentefondsen niet verstrekt dan in zeer bijzondere gevallen en bij een met redenen omkleed, aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen, besluit van den gemeenteraad. De armenraad wordt vooraf gehoord.

2. De subsidies worden telkens voor niet langer dan één jaar verleend.

3. Zij worden niet verleend, dan nadat aangetoond is:

a. dat de verzorging van armen en het toezicht op de ondersteunden op doeltreffende wijze geschiedt;

b. uit de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven over het laatst afgeloopen jaar en de begrooting voor het loopende of volgende dienstjaar, dat de subsidie volstrekt noodzakelijk is;

c. dat ten behoeve van de instelling op redelijke wijze is en wordt bijgedragen door hen, van wie overeenkomstig haar aard in den regel bijdragen verwacht kunnen worden en dat haar bestuur heeft gedaan en blijft doen, wat in zijn vermogen is, om die tyjdragen te doen toenemen.

Sluiten