Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit het voorafgaande zijn echter nog meerdere conclusies te trekken.

Inzooverre als de vrijwillige bijdragen der burgers en de fondsen der kerkelijke armenzorg niet toereikend zijn om de uitgaven der armenzorg te dekken, zullen deze moeten worden bestreden uit de openbare kas.

Dit brengt in onzen tijd een onbillijke verdeeliflg van armenzorglasten met zich.

Offervaardige personen, die direct of indirect veel aan armenzorg besteden, zullen bovendien nog een deel hebben bij te dragen in de openbare armenzorglasten, terwijl de personen, die in hun zelfzucht niets voelen voor de nooden van anderen, weinig bijdragen in de armenzorglasten.

Een betere regeling van de verdeeling der armenzorglasten lijkt mij daarom ten zeerste gewenscht, ja noodzakelijk om de armenzorg op peil te brengen.

Om tot zoodanige verdeeling van armenzorglasten te komen, liefst naar draagkracht, zou ik de natuurlijke personen en de naamlooze vennootschappen willen doen bijdragen in eene algemeene armenbelasting.

Of deze belasting naast de bestaande moet worden geheven, dan wel in den vorm van opcenten op de inkomstenbelasting, zal ik nu hier niet verder bespreken. Het is trouwens ook een kwestie van belastingtechniek.

Mijne meening is, dat door de heffing eener armenbelasting niet alleen een rechtvaardiger en billijker verdeeling der armenzorgkosten is te verkrijgen, doch dat bovendien definancieele moeilijkheden die de openbare, kerkelijke en bijzondere armenzorg tegenwoordig ondervinden, met een slag kunnen worden opgeheven.

De openbare armenzorg, die thans uit plaatselijke kassen wordt bestreden, zal haar plaatselijk standpunt kunnen verlaten en met een breederen blik het terrein der armenzorg kunnen overzien.

De kerkelijke en bijzondere armenzorg zal niet langer aan banden worden gelegd door gebrek aan middelen en meer en beter hare krachten kunnen ontplooien. Tegenwoordig zijn zij, behalve op de opbrengst van stichtingen en fondsen op de

Sluiten