Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sijn deel, doch jammerlijck voor de gevangens. Den vice-admirael de Ruyter maeckte staet te vertrecken naer Lubeck; alle onse bagagie quam aen lant, alsmede de rocken en schoenen voor de soldaten; creech dien dach brieven van mijn vader1) en lieve huysvrou uyt het vaderlant.

Saterdach 29 November lagen met onse troupen als noch in de dorpen buyten Nyborch seer jammerlijck, crijgende dagelijcx vele siecken onder ons, mede de roode loop; de Keysersche, en Brandenborgersen Poolen waren in de beste plaetsen, als Odensee en andere, geinquartiert, plunderende alles voor onse comst, sijnde Odensee ons gedestineert winterquartier; cregen dien dach broot voor onse soldaten, doch was heel beschimmelt; 'smorgens gong onse vloot onder zeyl na Lubeck, alsoo van vivres gebreck hadde.

Naer middaghs cregen onse drie regimenten hare partagie van de gevangens bestaende in twee collonellen en drie sergeant majors, die hun rantsoen aen de hooftofficieren van deselve regimenten betalen moesten; daer wierdt oock 600 ruyters ons toegewesen, die S. M.'ons soude voldoen in gelde, alsmede voor het genomen canon a).

Maendach 26 January [1660] ontfongh de lang verwachte brieven van mijn huisvrou en heer vader, waeruyt 't ratificeren van het tractaet van Elbing en een nader acte van vrintschap tusschen Sweden en onsen Staet verstont, met die clausule, in cas de vrede tussen de twee noorder croonen getroffen wierdt; adviserende mij mede, hoe Amsterdam sedert onse victorie op Punen bevochten gantschelijck niet hadt willen verstaen het tractaet van Roschil, alsmede het Haeghse, sijn effect nemen soude, doch was met moedicheyt in de vergadering van Hollant tegen gesproocken, sijnde de meening van onsen Staet ganschelijck niet voor Sijne Majesteyt van Denemarcken iets anders te bedingen, als den teneur van het Haeghse tractaet is luydende.

[Eind April vertrek van Funen naar Kopenhagen; 30 April aldaar; 7 Juni door de ambassadeurs met brieven naar het vaderland gezonden; 9 Juni te Hamburg, 13 in den Haag 3)].

1) Dien hij in een aanteekening van 3 Febr. 1660 met name aanduidt: „den heer van Strevelshoek, mijn vader". Hieruit blijkt dat Johan van Beveren de auteur is.

2) 3 Dec. te Odensee in de kwartieren, „hadde mijn inquartieringh bij een raetspereoon genaemt Peter Peterse, sijnde een wijncooper, en was seer wel geacommodeert en gelogeert".

3) Kron. H. G. bl. 65 heeft voor dezen laatsten datum verkeerdelijk 23 Juni, gelijk op bl. 63 verkeerdelijk „tsedert 20 [lees: 10] November savonts".

Sluiten