Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORBERICHT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

Toen de Directie van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen besloot tot een tweeden druk van de geheel uitverkochte Pararaton-editie (Not. Bat. Gen. 1915, pag. 69), lag het voor de hand, dat er van een herdruk zonder meer geen sprake mocht zijn. Immers van do eerste uitgave, die in 1896 als eerste, stuk in Deel XLIX van 's Genootschaps Verhandelingen verscheen, had Brandes heel wat moer gemaakt dan een tek&t-editie met vertaling; in zijn Aanteekeningen had hij zooveel mogelijk partij weten te trekken van het door de Pararaton geboden materiaal voor onze kennis der Javaansche oude geschiedenis en men kan gevoegelijk zeggen, dat met deze uitgave een nieuwe grondslag gelegd Werd voor de geschiedbeschrijving van het oude Java. Juist in dit 'opzicht nu hadden sinds 1896 het bekend worden van talrijke inscripties en vooral de publicatie van den Nagarakërtagama zooveel nieuwe gezichtspunten geo'pend, dat, wilde de Pararaton-uitgave aan het door Brandes gestelde doel blijven beantwoorden, talrijke aanvullingen noodzakelijk zouden zijn. Vandaar dan ook, dat ondergeteekende, en niet een zuiver taalgeleerde, met de zorg voor de nieuwe uitgave werd belast; men was van oordeel, dat niet zoozeer tekst en vertaling als wel de historische commentaar toevoeging en wijziging behoefde.

Intusschen mocht deze regeling natuurlijk allerminst de verwaarloozing van het taalkundig gedeelte der publicatie tengevolge hebben, zoodat ons eerste werk was om ons op dit gebied hulp t& verzekeren; wij waren daarbij zoo gelukkig niemand minder dan Prof. Mr. Dr. J. C. G. Jonker bereid te vinden om deze taak' op zich te nemen. In overleg met dezen geleerde verrichtte de Heer H. Kraemer, litt. ind. docjts alhier, een nauwkeurige collatie der aan Brandes nog onbekende, sedert uit de nalatenschap van Dr. H. N. van der Tuuk in de Leidsche Universiteitsbibliotheek gekomen, Pararaton-handscjiriften, terwijl ook R. Ng. Poerbatjaraka, die zich reeds eerder met de studie van de Pararaton als geschiedbron had beziggehouden, zijn aanteekeningen over dat werk ter onzer beschikking stelde. De bijdragen van beide laatstgenoemden bereikten ons in den door hen zelf opgestelden vorm, Prof. Jonker echter ontviel aan zijn werk, vóór hij de resultaten zijner Pararaton-studie had samengevat, en vóór hij de wijze had kunnen aangeven, waarop hij zich voorstelde, dat die resultaten in de nieuwe uitgave zouden worden

Sluiten