Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en vond zoo den jongen, wat hij als een bestiering Gods beschouwde, (want) het was werkelijk Ken Angrok. Hij nam hem mede naar Karuman en nam hem aan als zoon. Daarop naar het speelhuis gegaan, vond hij er den malandang, en speelde hij (weer) met hem; nu verloor de malandang, en won Bango samparan alles weer terug wat hij verloren had, duidelijk door Gods toedoen, en toen hij naar huis ging, nam hij Ken Angrok mede.

Bango samparan was getrouwd ') met twee zusters; zijn oudste vrouw was Genuk buntu, Tirthaja de jongste. De kinderen (van de laatste)2) waren Pafiji Bawuk, daarop volgde Panji Kuficang; diens jongere broeders waren Pafiji Kunal, en Pafiji Kenengkung; het jongste kind was een meisje, Cucupnranti. Genuk buntu (de oudste vrouw) nam Ken Angrok tot zoon aan. Hij bleef geruimen tijd te Karuman, maar kon het met de jpariji's niet vinden, en daarom verliet hij de plaats.

Daarop vond hij te Kapundungan een jeugdigen herder, den zoon van Tuwan Sahaja, den buyut van Sagënggëng 3), Tuwan Tita, en met deze werd hij vrienden.

Zij hielden zeer veel van elkander. Hij bleef nu bij Tuwan Sahaja, en Ken Angrok en Tuwan Tita waren het nooit oneens 4). Zij wilden leeren lezen, (en daarom) begaven zij zich tot Janggan, te Sagënggëng 5), om bij hem in dienst te gaan6), en vroegen hem hun onderwijs te geven. Zij kregen daarop onderricht in het lezen, [4] het gebruik der klinkers en medeklinkers, en hunne wijzigingen, in de candrasangkala T) en de tijdrekenkunde: dagen, maanden, jaren, de verschillende soorten van weken en de wuku's. Door het onderricht van Janggan werden zij zeer kundig.

Nu had Janggan een jambu-boom geplant, die het sieraad van zijn tuin was geworden.

Deze droeg goed, en zat rondom vol met haast rijpe vruchten. Hij had uitdrukkelijk verboden er de vruchten van te plukken; en niemand durfde van de vruchten van dien jambu-boom te nemen. Janggan had gezegd: „Als die jambu's

1) In 'tJav. awayuh.

' 2) Rabi anom werd duidelijkheidshalve reeds in den tekst ingevoegd. Genuk buntu, die geen kinderen had, nam Ken Angrok aan.

j 3) Lees buyuting Sagënggëng. — J. De buyut is het onderdorpshoefd.

4) In 'tJav. tan hana wiyatanira. — J. Skr. vyathd, ongemak, pijn?

5) De tekst geeft sira Janggan ing Sagënggëng. Deze naam is, zooals een ieder ziet, ontstaan uit bhujangganing Sagënggëng, den geleerden brahmaan van Sagënggëng, d. w. z. den. onderwijzer daar.

6) De verhouding van een leerling in het oosten tot zijn leermeester is behalve nog die van een zoon tot een vader, ook die van een knecht tot zijn heer. In 't Jav. staat er ati amarajakaha; voor ati zie ook bladz. 9 rég. 9 en 13. — P. ati is hier synoniem met ahyun. — J.: om bij hem te gaan leeren; van parajaka, leerling.

7) In 't Jav. rupacandra, naar de beginwoorden van het tiental strophen, dat bij de Javanen altijd als handboekje gediend heeft tot het zoeken van woorden met een cijferwaardc om jaartallen uit te drukken.

Sluiten