Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rajasa vervormd, bekleedt in de koningsnamen zijner afstammelingen een belangrijke plaats; men vindt er een Kërtarajasa, een Rajasanagara, en een Rajasawardhana onder. Vermoedelijk is zijn naam slechts een rest van een langeren naam ') en ongelukkig vindt men in de Pararaton niet altijd de eigentlijke koningsnamen der personen, die na hem nog, tot op het einde der 15" Qaka-eeuw, als vorst heerschten, en waaronder eenige vrouwen waren, vermeld.

Na zijn dood in 1169 Caka, werd hij bijgezet te Kagënëngan. Zooals men zich herinneren zal, is dit een andere naam van 'Tjandi Kali tjilikJ), in het distict Srëngat, afdeeling Blitar, waaraan men evenwel boven de poort een plaatje met het jaartal 1271 Caka vindt, door Dr. R. D. M. Verbeek aan het licht gebracht3). De voorafgaande verovering van Daha (Kadiri) door Tumapël zou het vermoeden wettigen, dat Tjandi Kali tjilik werkelijk bedoeld is, maar toch schijnt het aannemelijker te veronderstellen, dat hier van een ander Kagënëngan sprake is, dat men op het terrein van Tumapël zelf, in het Pasuruhansche, zou hebben te zoeken 4).

In dit gedeelte worden eenige opmerkingen gemaakt, of gegevens verstrekt over de invoering van de Hindu godsdienst op het oostelijk deel van Java, bepaaldelijk in de tegenwoordige residentie Pasuruhan. Kort voor de troonsbeklimming van Ken Arok, Qri Rajasa, zouden daar in het geheel geen brahmanen zjjn geweest. Lohgawe toch was de eerste die zich daar gevestigd hebben .zou, en dat, rechtstreeks uit Engelsch-Indië, Jambudwipa, daarheen getogen. Daarna zouden, na Arok's koningworden, de bhujangga's, buddhisten zoowel als ciwaieten, uit Kadiri (Daha) daarheen zijn gevlucht, omdat men hen in het rijk, waar zij

1) Blijkens den Nag. is de volle naam Ranggah Rajasa. Poerbatjaraka wijst er op, dat ranggah beteekent: hoorn, duidelijk in mëhjangan branggah (Mal. beranggah = berranggah), hert met (groote) horens. Dit is dus synoniem met Skr. crnga. Vandaar de waarschijnlijkheid, dat koning Ranggah Rajasa dezelfde is als de vorst Qrëngga, die O. J. O. n°.LXXIH en vlg. heeft uitgevaardigd (Q. 1116—1119). In één dier oorkonden (LXXVII) schijnt" sprake te zijn van een vervolging van Kërtajaya (dezelfde, die in de Par. Dangdang Gëndis heet); op grond van dit alles concludeert Poerbatjaraka tot de identiteit van Rajasa en Crëngga. 'sKoniogs andere naam, sang Amürwabhümi, is laatstelijk voor den dag gekomen op een veel latere oorkonde uit Q. 1272, waar de aanleg van een dam plaats heeft mak'amanggala rakaki Ngamurwwabumi. Gelijk Van Stein Callenfels heeft aangetoond (De inscriptie van Kandangan, Tijdschr. B. G. 58, 1918, p. 341) is de beteekenis daarvan, dat men zich door een slamëtan de gunst verzekert van den cakal bakal der heerschende dynastie.

2) Raffles, History op Java, II (1817), bl. 37 (40), „Genengan".

3) Not. B. G. XXV (1887), blz. 8.

4) De Nag. geeft in Zang 37 een beschrijving van Kagënëngan, hetwelk ten Zuiden van Singasari blijkt te liggen. Brandes zocht het later iets ten Z.W. van Malang, waar een desa Gënïngan ligt (Not. B. G. 1901, p. 79); Van Stein Callenfels wees op den G. Katu, Westelijk van Gënëngan; er is daar een gebouw geweest (Oudh. Versl. 1914, 4, p. 105). Zie verder over het heiligdom te Kagënëngan (eigenlijk twee, een Ciwaïtisch en een Buddhistisch) nog p. 272 der Nag. editie. Het gedicht beschrijft in Z. 40 de regeering van Rajasa, wiens hoofdstad oorspronkelijk Kutaraja blijkt te hebben geheeten. 's Konings/>verlijden wordt er in 1149 C. gesteld.

Sluiten