Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wide geheeten; dezen gaf hij den naam Arya Wiraraja, maar hij scheen onbetrouwbaar en daarom verwijderde hij hem uit zijne omgeving, hem benoemende tot adipati van Sungënëb, op oost-Madura.

De persoon, die toen hij koning (prabhu) werd, zijn patih was, Mpu Raganatha'), trachtte steeds het welzgnvan zijn heer te dienen, maar Cri Kêrtanagara sloeg er geen acht op; daarom legde Mpu Raganatha zijne betrekking neer*), en nam hij zijn ontslag als patih, vervangen wordende door Këbo tëngah sang apanji Aragani. Mpu Raganatha werd in plaats daarvan adhyaksa te, Tumapël.

Nadat Cri Kêrtanagara koning was geworden, trachtte hij den dolenden vijand 3) (kalana) Bhaya te verdelgen, en toen deze dood was, zond hij zijn troepen tegen Malayu.

Zoo waren er maar weinig lieden te Tumapël over; de meesten waren naar Malayu gezonden. Apanji Aragani begeleidde ze, maar keerde van Tuban weer huiswaarts, en liet, te Tumapël gekomen, iederen dag, ten genoegen van Kêrtanagara, dezen (lekker) eten opdisschen.

Kêrtanagara stond in briefwisseling 4) met Aji Jaya katong, den vorst van Daha, die zijn vijand was; er was nu een goede, gelegenheid voor een vijand, en Jaya katong vergat, dat hij zich zeer schuldig zou maken 5).

Banak wide was 43 jaar oud, toen de veldtocht naar Malayu plaats had. Hij was bevriend met Aji Jaya katong; hij zond druk0) gezanten van Madura (naar Daha) en zoo zond Aji Jaya katong (ze ook) naar Madura. Wiraraja (= Banak wide) zond een brief aan Aji Jaya katong, die luidde: „Heer, onderdanig doe ik u weten, dat als uw hoogheid op het oude veld wil gaan jagen, u het thans moet doen, nu het een gunstige tijd is, en er geen kaaimannen, tijgers, wilde buffels, slangen, of doornen ') zijn; er is wel een tijger, maar die is tandeloos". Den ouden patih [19] Mpu Raganatha, dien bedoelde hij met een tandeloozen tijger, omdat hij al oud was. Daarop trok Aji Jaya katong tegen Tumapël op. De troepen, die om de noord naar Tumapël togen, waren de slechtsfén van Daha; (zij gingen) met vele vaandels en volle muziek. De streek benoorden Tumapël werd verwoest, en velen van hen, die hen bevochten 8), raakten gewond. Die troepen, die ora de noord kwamen, hielden halt te Mëmëling. Bhatara Ciwabuddha deed (intusschen) niets dan palmwijn drinken. Toen hem bericht werd, dat hij van Daha uit aangevallen werd, geloofde hij het niet, en zeide hij nog: „Hoe zou Aji Jaya katong zoo tegen

1) In 't Jav. voor naam hier puspapata,

2) In 't Jav. asalah linggih.

3) J .: reus. — Volgens Kern (Nag. p. 105 en Bijdr. Kon. Inst. 73, 1917, p. 176) een woord voor raksasa, en dus wel beteekenend: roofridder, geweldenaar, dwingeland.

4) In 't Jav. pdsawalanira. — J. V. d. T. oude veete, strijd.

5) J.: hij dacht niet aan de goede gelegenheid [voor een vijand]; er niet aan denkende (nl. Kêrtanagara), dat hij schuldig was.

6) In 'tJav. asurawean, zie ook bl. 23, reg. 11.

7) In 't Jav. rinipun.

8) J.: (a)mamërangakën?,- met iets houwen; amamerangakën sanjata Daha.

Sluiten