Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorkonde voorkomende namen zijn, behalve de drie eerste, wat men zou kunnen noemen titel-namen, namen gekregen bij het innemen van een zekeren rang, en die andere zijn kindernamen of zulke, als waaronder de personen in de wandeling bekend waren. Zonder twijfel behooren die der oorkonde gedeeltelijk aan andere personen toe, maar het is tevens hoogstwaarschijnlijk, al is het niet uit te maken hoe, dat in weer anderen juist eenige der personen schuilen, die in de Pararaton als Raden Wijaya's gezellen worden vermeld.

De vergelijking verder voort te zetten is niet noodig, slechts zij er nog op gewezen, dat de oorkonde alleen, een zoon van Jaya katong noemt, Ardharaja, die evenals Raden Wijaya met een dochter van Kêrtanagara was gehuwd.

In de tweede.plaats moet hier even stilgestaan worden bij de Chineesche expeditie van 1293 A.D. (=1215 Qaka).

In dit opzicht komt de eer geheel toe aan den Heer W. P. Groeneveldt, al kende hij de Pararaton niet. Maar hij was het die, terwijl anderen vóór hein de hier van belang zijnde Chineesche berichten althans gedeeltelijk reeds kenden, zie de bovenopgegeven literatuur, reeds in 1876, in zijn boven reeds eenmaal tot staving van de juistheid van het een en ander in Hoofdstuk V, aangehaalde Notes'), wees op de zakelijke eenheid, van verschillende bijzonderheden in hetgeen men vindt in Raffles' History of Java, bl. 108 (in de 2de editie van 1830), als „a different account of the first establishment of the Majapahit empire", zooals dat wordt gegeven „in a manuscript reeently obtained from Bali", en de overeenkomstige in de Chineesche berichten, welke handelen over de expeditie naar Java onder Kublai Khan in de jaren 1292 en 1293 A. D., d. i. Qaka 1214 enz. Ook wees hij tevens op het voorkomen van dezelfde traditie, als bij Raffles, in Friederich's Verslag, zie daar onder Rangga lawe2), en in wezen had hij het dus ook voor de Pararaton reeds uitgemaakt., daar toch Raffles' mededeeling moet berusten op de Rangga lawe, en dit boek weder op de Pararaton, waarvoor men de aanteekening boven bij de inleiding en die inleiding zelf zie.

De bedoelde stukken, waarover hier een verkort, samenvattend referaat volgt, vindt men in de genoemde Notes op bl. 20 (146) —30 (155). Zij bestaan uit een algemeen verslag en drie berichten, resp. over het leven en de krijgsbedrijven der drie aan het hoofd dier expeditie geplaatste officieren: Shih-pi, Kau Hsing en Ike Mese.

Boven, bij Hoofdstuk V, werd de aanleiding tot de expeditie reeds aangegeven. Een der gezanten van Kublai Khan (1280—1295 A. D.)3), was door den

Nayapati, Aryadikara, Arya Wiraraja en Kêrtanagara, en 11a Pranaraja, Nayapati, en Arya \^ra)raja- Over deze laatste plaats zie men bij Hoofdstuk VIII.

1) Notes, bl. 31 (156).

2) Voorloopig verslag van het eiland Bali, Verh. Bat. Gen. XXIII, 1850, bl. 21.

3) Die deze in het begin zijner.regeering, zegt de Heer Groeneveldt in zijn Notes bl. 31 (157), dus in 1280 A. D. of iets daarna, naar verschillende streken moet hebhen gezonden, om

Sluiten