Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch die drie gezonden hoofdofficieren waren toch naar Majapahit, en .niet naar Kalang gedirigeerd geweest '). Ook brachten «ij een antwoord van daar, en niet van Haji (Jaya) katong, -van wiens bestaan, zulk een indruk maakt het althans op mij, zij eerst later kennis kregen. Ook is het niet wel te denken, dat de aan de monding der bedoelde rivier gelegerde Javanen, zoo dit lieden van Haji (Jaya) katong waren geweest, die drie officieren daar, waar zij toch passeeren moesten om de plaats hunnèr bestemming te bereiken, zouden hebben doorgelaten, om zich tot Tuhan Pijaya te begeven. Nu blijft nog wel de mogelijkheid open, dat lieden van Haji Katang die plaats zouden hebben bezet, nadat de vooruitgezonden officieren hun, duidelijkheidshalve zegge men eerste, bezoek aan Tuhan Pijaya hadden gebracht, doch alsdan is hetgeen er verder wordt verhaald evenzeer niet goed te begrijpen, want Tuhan Pijaya meldt daarop, dat men hem nu, terwijl dit toch niet waar was, want, toen men in Majapahit kwam, was er nog geen vijand te zien, tot in Majapahit teruggejaagd had (er staat vervolgd had), en daarop komen dan nog later Haji Katang's troepen, men zie boven, vooral uit het zuiden. In het verslag staat van drie zijden, maar opmerking verdient het, dat er verder slechts sprake is van het verslaan van een vijand in het zuidoosten~en het zuidwesten, en men moet aannemen dat, ook al waren de Javanen, die bij het landen tegenstand hadden geboden, eigenlijk tegenstanders ook van Tuhan Pijaya geweest, op dat oogenblik de streek om de noord toch vrij was. Dat de handelwijze van Tuhan Pijaya, als mijne opvatting van de toedracht en den loop der zaken de juiste is, typisch Javaansch zou kunnen heeten, behoeft niet nader aangetoond te worden; men leze bijv. slechts de Babad tanah Djawi.

De persoons- en de plaatsnamen in deze Chineesche berichten voorkomende geven öf zeer weinig moeite öf zijn vooralsnog raadsels. Zooals men zelf zag, of door den Heer Groeneveldt reeds opgemerkt werd, is Tuhan Pijaya = Raden Wijaya, Katanakala = Kêrtanagara, Haji Katang = Haji Katong (of beter Haji Jaya katong, in de oorkonde Jaya katyëng), Tumapan = Tumapël, Kalang = Gëlang (in de oorkonde Gëlanggëlang), Taha = Daha, en Majapahit de bekende plaats van dien naam. Ten opzichte van Patsieh (of Patsieh kan) uitte de Heer Groeneveldt het vermoeden, dat het gelijk zou zijn aan Pacëkan (zie noot 6 op p. 103), en Changku meent hij, zooals mede reeds in een noot (p. 105 noot 1) werd gereleveerd, in Cangkir terug te kunnen vinden.

1) -Dit komt ons niet juist voor; de onderhandelaars (wèl te onderscheiden van de naar de floating bridge gedirigeerde officieren) waren naar Java = Tumapël gezonden, Welks val hun nog niet bekend was; ze zijn op weg daarheen met Wijaya in aanraking gekomen, maar waren niet naar hem toegestuurd. Ook in andere opzichten lijkt ons de door Brandes gegeven voorstelling niet geheel aannemelijk: de Chineezen vermelden niets van dit eerste verraad, ze zijn verder dadelijk bereid Wijaya te helpen, als hij hen later te hulp roept, en ten slotte had toch ook Wijaya voor zulk een verraderlijke houding vóór Jayakatwang's nederlaag geen de minste reden, integendeel alleen door middel van de Chineezen kon hij hopen, zich van zijn vijand te ontdoen. Alles bij elkaar genomen, achten wij de opvatting van Groeneveldt boven die van Brandes te verkiezen. Kr.

Sluiten