Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan -werkelijk indertijd zelf naar Palembang ten strijde was getogen.' Deze belooft aan Sandisastra het thuis in de primbon na te zien, daar hij zich niet alles even goed herinnert, en 't dan voor te lezen. Hiermede begint hij in den volgenden zang (XXIV), de geschiedenis echter weer iets hooger ophalende ').

Toen Yusup, zoo verhaalt hij, — er wordt slechts gesproken van molana gusti, •— op sterven lag, \oeTÓ\o^ie~mangkubumi het opperbewind, en nu hoorde pangeran Japara (een jongere broeder van Yusup, die zich te Japara bevond) van handelslieden, dat zijn oudere broeder (de vorst van Bantfin) zwaar ziek was. Hjj gaat daarom mfet een groot gewapend gevolg naar Ban ten, waar men hem in Pagëbangan 2) een verbljjfi aanwijst. Spoedig daarop sterft Yusup^ zoodat Muhamad, de pangeran ratu (de toekomstige troonopvolger), als een klein kind door zijn vader wordt achtergelaten. Diens voogden waren de kali van Surasaji (= Surasowan), senapati Pontang, dipati Jayanagara, Wadyaji en Wijamanggala; men handelt eenstemmig en alles gaat goed, daar men naar den patih mangkupraja (den mangkubumi) luistert. Nu stelt echter deze voor pangeran Japara tot ratu aan te stellen, doch als dit aan den kali ter oore komt, informeert deze daarnaar, en het blijkt hem, dat het zoo is. Dadelijk schrijft hij den mangkubumi zóó, dat deze begrijpen moet, dat hij er van weet, en tevens denken moet dat ook hij toegeeft 3). Nu zendt de mangkubumi aan pangeran Japara, een olifant, opdat deze zich dadelijk tot koning zal laten uitroepen. Maar buiten verschenen met demang Laksamana4) en den mangkubumi, en reeds tot voor de Darparagi5) gekomen, die aan do overzjjde van een rivier lag, laat de mangkubumi hem daar een oogenblik achter, om (tegen zijne verwachting °) ) den kali, met den kleinen Muhamad op zijn schoot gezeten, daar reeds te vinden, in gezelschap van de vier

1) Dr. H. Djajadiningrat 1.1. bl. 37 geeft een afwijkende inhoudsopgave: Sandisastra vraagt tèüfcens, waarom de MtHana iftëertij*zélf naar Palembang' te», strijde was getrokken. Sandimaya zeide, dat bij die geschiedenis van zijn leermeester had gehoord en opgeschreven. Een geheelen. nacht had hij er in zitten lezen zonder slaap te krijgen: zoo bekoord werd hij door de geschiedenis van Pangeran Muhamad. Sandisastra verzoekt hem dan uit (fat geéenrift voor te lezen. Sandimaya doet het, omringd door zijne verwanten. Sommigen kijken mee in, anderen luisteren slechts, toe. S

2) Naar Rouffaer opmerkt, is het beter van d e Pagëbangan te spreken, de dalem van Pangeran Gëbang in Oud-Bantën, die nog in 1596 aanwezig was, zie den rugkant van Plaat 11 in de heruitgave van Lodewyc.ksz' .Eerste Doeck (1915), bl. 104.

3) Dr. II. Djajadiningrat (bl. 38) vat deze passage aldus op: Toen de kali dat vernomen had, liet hy zijn vier medevoogden bij zich komen. Nadat hij zich van hun trouw jegens hun jeugdigen heer had overtuigd, schreef hij aan den mangkubumi een brief, waarin hij de hoop uitsprak, dat deze zijn heer trouw en genegen zou blijven. Deze begreep de zinspeling. Hij beiegde weer een Vergadering, zonder dat de lieden van Japara het wisten en stelde thans voor om den on mondige n knaap op den troon te plaatsen. Men vond dit ook goed.

4) Zijn eerste dienaar.

5) De naam van de alun-alun of een gedeelte daarvanmen vond er de waringin kurung, en de dasapton werden er gehouden.

6) Volgens Dr. Djajadiningrat natuurlijk niet tegen zijn verwachting.

Sluiten