Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het eerste boek wordt vrij uitvoerig en zeer geregeld over Majapahit's veroveringen gesproken. De schrijver komt er toe, doordat hij de verovering, en zoo den val, van Pasay door de lieden van Majapahit te verhalen heeft. Als de aanleiding daartoe wordt het volgende opgegeven. Als Marah Silu Samudra gesticht heeft, sticht hij, na de geboorte van zijn zoon Malik-al-Thahir, ook Pasay, waar die zoon koning wordt, zijn vader intusschen later ook te Samudra opvolgende 1). Van de zonen van dezen, Malik-al-Mahmud en Malik-al-Mansur, draagt de eerste de regeering over aan Ahmad, zijn zoon, als hij zijn broeder Malik-al-Mansur onttroond en verbannen heeft, en deze Ahmad nu doodt dan later zijne beide zoons, Sibrahim bapa en Abdaljalil, den laatste, omdat eene prinses van Majapahit op hem verliefd geworden was, en hij haar hem misgunde2). De prinses, die eerst niet had willen huwen, had overal portretten van de schoone prinsen laten maken, en op het zien van dat van Abdaljalil, dezen dadelijk uitverkoren. Op haar aandringen had de vorst van Majapahit3) haar laten gaan, om hem te gaan huwen, maar het doel van hare reis ten naastebij bereikt hebbende, verneemt zij, dat haar geliefde door zijn vader is gedood, en verdrinkt zij zich met heel het schip, waarop zij zich bevond. De vloot, die haar begeleidde, keert naar Majapahit terug; dadelijk wordt daar tot een expeditie besloten, die, hoewel na een hevigen strijd, Pasay inneemt en vernielt (bl. 95). Daarna verhaalt de kroniek verder, dat de troepen op den terugtocht Djambi en Palembang aandoen, en dat deze gewesten zich goedschiks onderwerpen (bl. 96), "en vervolgens (bl. 98), dat de vorst van Majapahit besluit tot een veldtocht tegen het gebied van den koning van Hujung tanah (sJï ^>jS> ^ ^Ls\>)4).' Ook deze tocht wordt met een

wezen naar de aanteekening op Hoofdstuk I, waar de passage, die in aanmerking zou kunnen worden gebracht, in haar geheel op bl. 68 werd overgenomen; men vindt er zelfs gesproken van Aceh, en de schrijver is zeer anachronistisch. In de Kroniek van Sambas, waarover men zie Netscher in Tijdschr. Bat. Gen. I (1853), bl. 1, vindt men slechts: Katurunan yang akan jadi raja besar-hesar didalam silsalah ini yaüu asalna daripada sang ratu Majapahit, maka adapon sang ratu Majapahit itu bëranakkan Brawijaya, maka ilulah yang përgi kanëgëri Sukadana (WiXSjmi) duduk di Banuwa lama maka iyalah yang mënjadi raja disitu, maka iya bëranakkanraja Porong (Wjj*)> enz-, wat niets van beteekenis bevat voor hétgeen hier in den tekst voorkomt, doch van gewicht is met het oog op hetgeen men vindt in de Jaran sari Jaran purnama, zie Not. B. G. XXXI (1893),- bl. 44, en vgl. ook Veth,-Borneo's Westerafdeeling, I (1854), bl. 186 volgg. De Salasilah Kutay is een boek van zeer jonge dagteekening, althans in 't exemplaar van den Heer Tromp, dat mij door Dr. Snouek Hurgronje ten gebruike werd afgestaan. Het Javaansch, dat er in voorkomt, is dat van den jongsten tijd. De lange pgricopen, die daar ook Majapahit ten tooneele brengen, leveren niets dat hier een opzettelijke vermelding zou verdienen. Over deze Salasilah zie men Tromp in Bijdr. T. L. en Vk. van N. I., 5: III (1888), bl. 1, en Snouck Hurgronje, ibid. bl. 109.

1) Het was deze vorst die'daar aan de regeering was, toen in 1345 of 1346 A. D. Ibn Bathutha daar landde. 1345 A.D. = 1267 Caka. — Verg. Moquette in Rapp. Oudh. Dienst 1913, bl. 9—12, en Ferrand in Journ. asiat. 11: IX (1918), bl. 475.

2) Jakalaw si Abdaljalil tiyada ku-bunuh kar•ajaanku jangankëkal dan putri Gëmêrëncing pon jangan ku-piëroleh.

3) De patih van Majapahit heet hier Gajah mada.

4) Het schiereiland van Malaka, kaap Roumania.

Sluiten