Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie nu die Bhre Daha was, die door Bhra Hyang Wicesa naar het Westen werd medegevoerd, en of zij de persooon was, welke Bhre Wirabhumi tot zoon had aangenomen, is eene zaak die moeielijk is uit te wijzen. De gebezigde uitdrukking, ingëmban, wijst zonder twijfel op een dame, en in de aanteekening bij Hoofdstuk X werd het reeds beredeneerd, dat moeielijk iemand anders dan Bhre Daha II Bhre Wirabhumi kan hebben aangenomen. Nu kan men gissen, dat de Bhre Daha, welke bij Bhre Wirabhumi werd aangetroffen, de dochter was van Pandan salas I (40), Bhre Daha III (49), de echtgenoote van Bhre Tumapël III (b) (39), of de latere echtgenoote van deze, door Bhre Wtrabhümi bijv. geschaakt, te meer daar Bhre Daha II (20), volgens de berekening boven, reeds tusschen 1293 en 1298 overleden was. Maar terwijl dit op zich zelf reeds slechts een gissing is, zijn daarmede-de moeiélijkheden omtrent deze persoon toch nog niet uit den weg geruimd, daar, terwijl volgens dezelfde berekeningen ook de dood van deze Bhre Daha, Bhre Daha III (49), ons straks in ditzelfde hoofdstuk, bl. 31, reg. 21 wordt bericht, f 1338, er in 't volgende hoofdstuk weder een Bhre Daha ten tooneele treedt, in wier persoon, want ook daar moet een vrouw bedoeld zijn'), men onwillekeurig weder iemand ziet, die tot Bhre Wirabhdmi in een nauwere betrekking stond, en dus öf de persoon was die door Hyang Wigesa uit het oostelijke rijk gehaald werd, öf wel die welke hem als kind aannam. Doch hierover zie men wederom verder bij het volgende hoofdstuk.

Zooals men gezien heeft, werd hier, omdat de Pararaton het niet uitdrukkelijk zegt, voorzichtigheidshalve geregeld slechts vermoedender wijze gesproken van een op nieuw aan het bewind treden van Hyang Wigesa, nadat hij in 1322 Qaka bhagawdn geworden was, maar het bleek ondertusschen uit het uit de Notes van den Heer Groeneveldt aangehaalde, dat wat er over de parëgrëg 2) in de Pararaton voorkomt, ons feitelijk ook door de Chineezen wordt bericht. In het aangehaalde wordt de naam van Hyang Wigesa, die er slechts wordt aangeduid met „the western king, Tumapan", niet genoemd. Daarom is het van belang bij dit hoofdstuk nogmaals naar die Notes te verwijzen, omdat men daar iets lager nog deze mededeeling aantreft: „In the year 1415 (= Qaka 1337) the king adopted the name Yang Wi-si-sa, and sent envoys to thank the Emperor for his

Dorp te Sëmarang onder toezicht van Raden Panji Jayasubrata werd uitgegeven, en zeker nog jonger is. Deze werd, volgens eene aanteekening van Raden Mas Ismangun Danuwinata, Vervaardigd door Raden Rangga Prawiradirja, weleer voëdana mancanëgara te Maospati); te Leiden n». CXVI (Cov. 1866(2)) en CXVIII (Cod. 2192)?. Behalve deze bestaan er nog andere redactie's, althans fragmenten daarvan, die van minder beteekenis schijnen te zijn. Van veel belang daarentegen zou wel eens kunnen blijken te zijn, wat men aantreft in eenSërat kanda, en hier beneden achter Hoofdstuk XVIII, in een extract uit dat boek, dient medegedeeld te worden. Een Damar wulan in.lakon-vorm vindt men in Tijdschr. Bat. Gen. XXXVIII (1895), bl. 457; op het einde van deze wordt hier, in verband met wat de Pararaton omtrent delatere lotgevallen van Raden Gajah vérhaalt, nog eens de aandacht gevestigd.

1) Zooals nader zal blijken, achten wij voor deze opvatting van Brandes geen voldoenden grond aanwezig. Ook de gevolgtrekking, dat deze Bhre Daha IV in nauwere betrekking tot Bhre Wirabhumi zou hebben gestaan, moet o. i. vervallen.

2) Rëgreg = rërêg = rurug — lurug N. Jav. en ook uug in 't Bal. — Verg. bl. 177, noot 3.

13

Sluiten