Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Bhra Paramegwara II (47) de gemaal was van de prabhu istri III, en wellicht niet die van prabhu istri II (Dewi Suhita), en er werd dan ook reeds boven in de aanteekening 'bij Hoofdstuk X, waar aangenomen werd, dat deze laatste, de prabhu istri II, met Bhra Paramegwara n in het huwelijk trad, een vraagteeken bij dien eent-geplaatst,- aangezien de bewoordingen van bl. 30, reg. 3 en 7 er wel aanleiding toe geven te veronderstellen, dat zij beiden in het huwelijk traden, doch daartoe niet rechtstreeks dwingen. Men vindt daar toch niet anders dan putrestri mijil bhre prabhu stri, bhiseka dewi Suhita en aputra mijil bhre Koripan, bhra Hyang Paramecwara siraji Ratnapangkaja bhisekanira, angalap bhra prabhu istri, tan apuputra sira. Er wordt wel gezegd, dat hij huwde met een prabhu istri, doch niet met die, welke Dewi Suhita heette, en van Dewi Suhita wordt wel is waar niet aangeduid, dat zij ongehuwd bleef, doch ook weder evenmin geconstateerd, dat zij wel in het huwelijk trad. Doch zou het nu, na hetgeen er nog verder aan het licht kwam, hoe weinig zeggingskracht er ook in schuilen moge, niet aannemelijker zijn te veronderstellen '), dat men met Bhra Paramegwara zijne gade in één heiligdom heeft laten rusten, en dat ook in de prabhu istri van bl. 30, reg. 6 zijne gemalin te zoeken is, de vorstin die in 1369 Caka overleed, d. i. dus de Bhre Daha, welke in 1359 Caka ratu werd?2).

Kon op deze wijze hier als van zelf eenige kritiek gegeven worden op de ontworpen geslachtslijst, daar het aan den dag kwam, dat deze niet in allé onderdeelen een onvoorwaardelijk vertrouwen verdient, wat op zich zelf reeds van groot nut is, omdat men er door weerhouden worden zal er te absoluut op te bouwen, het bleek tevens dat er van verschillende gedeelten van den tekst ook verschillende opvattingen mogelijk zijn, en dat hoe correct de redeneeringen over de persoon van de Bhre Daha van bl. 31, reg. 10, die der parëgrëg, op zich zelf ook mochten zijn, wat aan den lezer ter beoordeeling wordt overgelaten, het toch zeer wel mogelijk is, dat zij juist niet Bhre Daha III was, en dat in haar juist gezocht moet worden de latere prabhu istri III, wellicht zelfs de Bhre Daha die Wirabhumi's pleegmoeder was, en op wie Bhra Paramegwara reeds toenmaals zijn oogen geslagen had. Hier verdiepen wij er ons niet verder in, doch achten het daarbij veroorloofd om er nog verder op te wijzen, dat de prabhu istri II,

1) Gelijk boven reeds bleek, is ook een andere oplossing dan die van Brandes mogelijk. Hij gaat er van uit, dat Paramecwara en de in 1369 gestorven vorstin een paar vormen; daar de laatste de prabhu istri III is, moet ook P. met deze vorstin, en niet met prabhu istri II, gehuwd zijn geweest. Men kan ook zeggen: daar P. de echtgenoot der prabhu istri II was, moet de in 1369 overleden koningin diezelfde II, dus Suhita zijn. De bewoordingen van het Pararaton-citaat, zoo juist aangehaald, waar Paramecwara echtgenoot der prabhu istri heet, en juist van te voren Suhita als prabhu istri aangeduid is, bevelen o. i. deze laatste redeneering aan.

2) Hoe twijfelachtig het intusschen is, blijkt uit een derde voorbeeld van het begraven in één heiligdom. Volgens bl. 31, reg. 25, en 32, reg. 6, ook hier tunggal dhinarma, werden Bhre Wëngkër II (41) en Bhre Kabalan II (50) beiden te Sumëngka bijgezet; deze personen waren vader en dochter. — Of vader en zoon? Zie de vertaling op bl. 159.

Sluiten