Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar nu voorshands ook Raffles'- mededeelingen nog niet gecontroleerd" konden worden, zij tot dat doel het voorafgaande hier voldoende, waar thans iets zal worden gerepeteerd of bekend gemaakt van hetgeen de Javanen van Java in een paar hunner geschriften over Majapahit verhalen. Daaraan dienen echter nog een paar opmerkingen vooraf te gaan, waardoor de lezer in staat gesteld zal kunnen worden in de waarde der bronnen een wat juister inzicht te krijgen, dan hij reeds bezitten kon. ' ^fagijfi

In de eerste plaats dient er dan op te worden gewezen, dat tot nog toe wat eigentlijk .de Javaansche geschiedschrijving is, nergens behoorlijk is uiteen gezet, ja zelfs laat over het algemeen genomen de beschrijving der bronnen nog zoo veel te wenschen over, dat slechts iemand die zelf met die bronnen behoorlijk kennis maakte, er zich een eenigBzins met de waarheid overeenkomend begrip van vormen kon. Dat hier in alle uitvoerigheid aan te toonen, zou te veel plaats vereischen. Het zij hier genoeg te vermelden, dat een Javaan zijn geschiedboeken babad, ook wel sajarah, noemt, maar dat dan met die uitdrukking veel heterogeens wordt bedoeld en er allerlei bijgetrokken behoort te worden wat men, van een ander standpunt beschouwd, er niet toe rekenen zou, en voorts dat uitdrukkingen als Babad Jënggala, Babad Majapahit, Babad Dëmak, Babad Pajang, Babad Mataram, Babad Kartasura, Babad Pëcina, enz. niet beschouwd mogen worden als titels van geschfjften, hoewel zij als zoodanig in gebruik zouden kunnen zijn, maar opgevat moeten worden als korte, niet altijd passende inhoudsaanwijzers, waarmede men zeggen wil, dat een zeker boek handelt over de periode van Java's geschiedenis, die in zulk eene uitdrukking aangeduid of genoemd is, of wel dat er over die periode in dat boek ook iets voorkomt, 't zij dat nu al zij aan het begin, in 't midden of aan het slot. Van Europeesch standpunt althans, want een Javaan is het kwalijk te verbieden zijn geschriften te noemen, zooals hij dat verkiest, verdient het volstrekte aanbeveling te spreken slechts van één Babad tanah Djawi, in verschillende vormen x), tenzij men werkelijk met iets geheel plaatselijks te doen

gezet te worden. Hoezeer hetgeen er reeds, vooral door Keyzer en Cohen Stuart verrieht werd, op prijs te stellen is, is hetgeen ten deze door hen geleverd werd, zie Bijdr. T. L. en Vk. van N. i«, II (1854)f bl. 330, en 2: VI (1863), bl. 145, nog geenszins wat tot een goed inzicht in die verzamelingen leiden kan. — De verzamelingen van Mackenzie worden thans gecatalogiseerd door C. O. Blagden; één deel daarvan is in 1916 verschenen (Catalogue of Manuscripts in European languages belonging to the library of the India Office, Vol. I, The Mackenzie colleetions, Part 1).

1) Van de Babad tanah. Djawi werden tot nog toe drie redacties bekend gemaakt, doch alle slechts gedeeltelijk. Zij zijn: 1° die waarvan een groot gedeelte, afgedeeld of verdeeld in verschillende stukken onder de titels b. Pajajaran, b. Pajang, b. Mataram en b. Kartasura, eerst verscheen als feuilleton in de Djoeroe martani en de Bra martani, 1870—1875, doch tevens onder die titels, als zooveel verschillende boeken, werd uitgegeven door Jonas Portier te Surakarta, in dezelfde jaren: — 2° de redactie, die in proza werd overgebracht en zóó, zoover als dat geschiedde, is uitgegeven door Meinsma (J874—1877; 2de druk, 1884— 1899 ; 3ie 1903, alleen l»t0 stuk); van het begin van deze redactie gaf Mounier een verslag in het Indisch Magazijn, 1845, zie 1'te Twaalftal, III, bl. 33 en IV, bl. 145 en 2J<> Twaalftal, III,

Sluiten