Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft, als bij de Babad Bantën, Babad Cërbon, Babad Bafiumas, Babad Pasir, Babad Bësuki, Babad Bandawasa, Babad Balambangan, Babad Madura of inderdaad in den titel ook de periode wordt aangegeven waarover het boek handelt, zooals in de verschillende Babad's Surakarta, de Babad's bëdah Ngayogya, de Babad's Dipanëgara, en de Babad's Mangkunëgara en Babad's Paku alaman, of dat men zich bijv. tot een vasten regel stelle het eerste en het laatste der in een boek vermelde belangrijkste, en een periode kenschetsende feiten te noemen. Doch ook zelfs zoo zal bijv. in het voorlaatste geval de onduidelijkheid en dubbelzinnigheid nog niet zijn weggenomen, zooals bijv. daaruit blijken kan, dat de Babad Dipanëgara, welke door den verbannen vorst zelf vervaardigd werd, ook een résumé geeft van Java's voorafgaande geschiedenis in haar geheel; dat de Babad palihan nëgaris) begint met de stichting van Surakërta en eindigt met het aan Mangkunëgara toewijzen van het deel dat hij ontvangt; dat de Babad bëdah Ngayogya, in eene redactie, aanvangt met het aan het bewind treden van Daendels en de geschiedenis van Yogya er tot ver na de verovering van de kraton door de Engelschen in wordt voortgezet; enz.3), terwijl men ook in de Babad Bantën (bedoeld is de groote) en de Babad's Cërbon een overzicht van de geschiedenis van eigentlijk JaVa in 't algemeen niet mist.

Waar het hier om te doen is, een gedeelte van Java's oudere geschiedenis,

bl. 186, terwijl Meinsma nog iets mededeelde van het vervolg in zijn opstellen: Het fort te Kartasoera in 1741, Bijdr. T. L. en Vk. 2: VI (1863), bl. 367 en Geschiedenis van Kartasoera volgens de Babad in proza-bewerking van C. F. Winter Sr., ibid., 4: IV (1880), bl. 565; tot deze redactie behoort ook wat in 1874, in tembang, onder den titel Babad Pëtjina bij van Dorp verscheen; — 3» de redactie, welke van Dorp uitgaf onder den dubbelen titel Babad Pedjadjarran en Babad tanah Djawi, 4 deeltjes, 1885—1890. — In 1900 publiceerde Brandes in Verh. Bat. Gen. 51, 4fr> stuk, een „Register op de proza-omzetting van de Babad Tanah Jawi", met voorafgaande „Inlichtingen", waarbij ook verdere litteratuur.

" 1) De Babad Bafiumas en de Babad Pasir leerde ik kennen door tusschenkomst van Dr. C. Snouck Hurgronje. Over de Babad Bantën zie men boven de aanteekening bij Hoofdstuk VUL en nootl op bl.132; wat de Babad Bësuki en de Babad Bandawasa leveren, werd mede-, gedeeld in Not. Bat. Gen. XXXI (1893), Bijl. VIII,' waar men ook de oudere litteratuur over de eerste dezer beide vindt aangegeven; een Babad Balambangan (in proza) werd behandeld in Tijdschr. Bat. Gen. XXXVII (1894), bl. 325, en XXXVIII (1895), bl. 283, en een dito in tëmhang, gedeeltelijk, nl. Zang I—XXIII, in Tijdschr. Bat. Gen. XXXV (1893), bl. 452 en XXXVII, bl. 348; en van de Babad Madura' leverde Dr. Palmer van den Broek een referaat in datzelfde tijdschrift, XX (1873), bl. 241-301, 471-563; XXII (1875), bl. 1—89, 280-310 en XXIV (1877), bl. 1—167; hij behandelde haai- niet geheel, daar er over het laatste gedeelte nog een verslag geleverd dient te worden, zie Vreede, Catalogus enz. (1892), bl. 148.

2) Hier wordt bepaaldelijk bedoeld de redactie van Jasadipoera; .er bestaan er verscheidene over deze periode, ook wel onder den titel Babad Mangkubumen, waaronder een onder Mangkunëgaraschen invloed geschrevene om de geheel andere opvatting of waardeering van verschillende zaken zeer belangwekkend is.

3) Een Babad Dipanëgara verscheen in 1874 bij van Dorp te Sëmarang. Deze babad is een andere dan die door Pangeran Tjakranëgara werd vervaardigd, Bijdr. T. L. en Vk., 2: III (1860), bl. 140, of de van Dipanëgara zelf afkomstige, Not. Bat. Gen. II (1864), bl.251, VI (1868), bl.'26, en XV (18J7), bl.*®. Het begin van de Babad palihan nëgari yan Jasadipoera werd, onder de titels Babad Gijanti en Babad Soerakarta, I—III, in 1885—1888 uitgegeven,

• gedeeltelijk te Surakarta en gedeeltelijk te Yogyakarta.

Sluiten