Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daaromtrent leidt die titulatuur nog verder van den rechten weg, en inderdaad, wel beschouwd is er, zooals boven eigentlijk reeds te kennen werd gegeven, maar één Babad tanah Djawi, in hoevele verschillende vormen deze nu al voorhanden zijfi mag. Die babad, die haar vasten vorm verkregen heeft in het einde der 17e of het begin der IBfc eeuw van onze jaartelling, is eenig en alleen, en naar den inhoud mag men zeggen kanoniek, daar met haar verschijnen alle oudere geschiedboeken, welke men toch wel mag en moet aannemen, dat de Javanen eens bezaten, zoo goed als spoorloos verdwenen zijn, zoo zelfs dat men te vergeefs ook in andere dan geschiedkundige geschriften speurt naar reflexen van die oudere geschiedschrijving, deze althans, ten minste door schrijver dezes, nog nietdcondén worden ontdekt1). In hoevele vormen (redacties) die babad, die loopt tot aan het contract met Verijssel in 1743 A. D., in haar geheel of hij fragmenten, ook voorhanden moge zijn, steeds geeft zij, hoewel telkens in andere-woorden 2), met slechts zeer onbeduidende kleine afwijkingen, zakelijk hetzelfde te lezen, en niet k auders dan wat men te qualificeeren heeft als een gedecreteerden en gesanctioneerden vorm van Java's geschiedenis volgens de opvattingen van een bepaalden, den boven reeds aangewezen tijd 3). En geldt dit reeds voor het meer historische gedeelte van het boek, dat hetwelk de geschiedenis van Java behandelt sedert de komst der Hollanders, men zegge te beginnen met den "tijd van het opperbewind van Mataram, ook ten opzichte van het daarin over de voorafgaande perioden verhaalde kan men niet anders zeggen, dan dat het altijd een en hetzelfde geeft en daarbuiten eigentlijk niets voorhanden is. Met het oog op dit laatste dient er echter nog iets te worden opgemerkt.

Bij het voorafgaande werd geenszins vergeten of voorbijgezien, dat er nevens dat gedeelte van de Babah tanah Djawi, hetwelk de oudere geschiedenis behandelt, een rijke literatuur voorhanden is aan wat men de bronnen voor dat gedeelte zou kunnen noemen, ook (al zijn verschillende der hier bedoelde boeken jonger dan die babad in haar eersten opzet zelf4), en er verder ook nog

1) Op een zeer merkwaardig stuk, waarin zich iets van die oudere geschiedschrijving, althans voor Obst-Java, nog afspiegelt, kon gewezen Wordén in Iets over een ouderen Dipa-

• nëgara, enz. in Tijdschr. Bat. Gen. XXXII (1889), bl. 368 enz.

2) Men lette er intusschen op dat het gedeelte, hetwelk de lotgevallen van Jaka Tingkir, den lateren eenigen vorst van Pajang, beschrijft veelvuldig, ook daar waar de verbatie van het overige afwijkt, toch eensluidend, of zoo goed als woordëKjk hetzelfde is. Dit gedeelte moet dus 1» een oud stuk z(jn,- en 2» reeds vroegtijdig bijzonder de kandacht hebben getrokken of in den smaak' zijn gevallen, dat men het öf geregeld heeft afgeschreven öf, wat eerder te veronderstellen is, uit het hoofd kende, en respecteerde.

3) Hieruit volgt direct, dat men de vele redacties die van de Babad tanah Djawi of gedeelten daarvan bestaan, niet naar den inhoud, waarvan intusschen wel de omvang aan te geven is, te beschrijven heeft of te vergelijken, maar dat men ze naar het uiterlijk, deü vorm dient te kenschetsen. Ditselfde geldt voorloopig ook van alle andere hetzelfde verbaal leverende geschriften of redacties, als de Damar wulan's, de Yusup's, de Anbia's enz. enz.

4) Evenmin dat men naast het latere gedeelte bijv. een Babad bëdah kuta Mangir en een Pranacitra aantreft. Wat dit laatste geschrift aangaat, dat een enkele episode uit den tijd na de verovering van Pati door Mataram beschrijft, het is het lezen meer dan

Sluiten