Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevat, maakt zijne woede in hooge mate gaande, en hij trekt tegen Majapahit op. De omgeving van Prabalingga, waar hij zich legert, onderwerpt zich. Menak Koncar, de putra Lumajang, komt dit te Majapahit berichten, en spoedig trekt Rangga lawe, die de jongeren ter bescherming van de vorstin achterlaat, met zijn Tubaners naar Prabalingga,. waar hij een gevecht legert, (386) dat hem den dood brengt. Dëmang Gatul, zijn patih, die hem nog geraden had zich terug te trekken, vlucht na zijn sneuvelen naar Majapahit, waarheen Menak Jingga besluit den volgenden dag door te gaan.

Logënder had toenmaals ook reeds kinderen, een zoon Setra kumitir l) en eene dochter Anjasmara. De laatste, de oudste, was gehuwd met Damar wulan. Logënder had dezen jongeman .eerst in Paluh amba geplaatst, maar later tot schoonzoon genomen: Setra kumitir had niet met een medemensen willen huwen; hij had zich een përi, de dochter van een brahmana van den gunung Sumeru en een përi, tot vrouw genomen. Damar wulan, wiens roep door Majapahit ging, werd door Anjasmara steeds thuis gehouden, waar Sëbdapalon en Nayagenggong, zijn ^amo«ömong's, hem niet' verlaten.

De prabu kënya verneemt nu van dëmang Gatul deu dood van Rangga lawe. Logënder slaat voor Damar wulan te zenden. De vorstin vindt het goed, en de patih zendt hem met Setra kumitir tegen Menak Jingga. Zij bereiken Prabalingga nog vóór deze van. daar vertrokken is. Menak Jingga meent voor hen niet bevreesd te hoeven zijn. (388) Er hebben verschillende gevechten plaats, waarin- Surajaya van Bandung, Rëksayuda van Roban, Sore pajok 'van Walere, Surasastra van Tëgal van de. volgelingen van Menak Jingga achtereenvolgens overwinnen Jakang tulung van Malang, Cocak ijo van Pugër, Cocak pëtak van Bangkalan en Këtek abang van Balega. Damar wulan ziet dat het zoo niet gaat, en dat Menak Jingga het een of ander bijzonders in zijn bezit moet hebben. Hij stelt Buntar watangan 2) als zijn plaatsvervanger aan, en sluipt met zijn wulu cumbu's in het kamp van Menak Jingga. Den volgenden dag wordt er weer gevochten. Kidang wulan van Sarëngat strijdt met Jaya lawung van Luwanu, Macan putih van Ludaya met Suraprawira van Baüumas, Lawe ijo van Japan met Setraprameya van Andaluhur. Menak Jingga laat in dén nu volgenden nacht Mëlati en Mëndang voor de zijnen dansen. Damar wulan dringt op dat oogenblik in het vrouwenverblijf. (389) Daar waren nu Waita en Puyëngan reeds zeer begeerig hem te zien, en afkeerig van haren gemaal. Zij leggen hem, als hij zich vertoond heeft, Menak Jingga's geheim uit, en Puyëngan haalt voor hem zelfs het wësi kuning, dat zij had opgeborgen. (390) Dronken komt Menak Jingga ter plaatse, hij hoort

1) Hier één persoon, en niet als in den Damar wulan-roman een tweetal, Layang setra en Layang kumitir (verg. bl. 215, noot 2).

2) Hier al evenzeer één persoon, terwijl de Damar wulan-roman er twee kent, Raden Buntaran en Raden Watangan. Deze Buntar watangan moet dè zoon van Rangga lawe zijn; daarom volgt hij dezen dan ook later als Arya Teja over Tuban op, zie Zang 391.

Sluiten