Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sayit, een zoon van Wilatikta, bekeeren. Dit jonge mensch Was een lichtmis. Te Tambak baya. houdt hg" Sunan Bonang aan, om hem te berooven. Door allerlei wonderen (405) wordt hij bekeerd. Sunan Bonang laat hem zijn staf, dien hij achterlaat, in het bosch bewaken. Dit doet hij zoo getrouw, dat hij geheel overgroeid raakt. Eerst na twaalf jaar zendt Sunan Öonang Saloka, Kartapati en Kartabangsa, die hem tot leermeester (prawita = purbhita = guru) hadden gekozen, om hem te halen $>4ij brengen hem weer bij. Sktyit begeeft zich daarop naar Mëkab, maar wordt reeds te Pulo Pinang, door Seh Sayit Maolana Mahribi, weer naar Java teruggezonden om aan den bouw der moskee mede te helpen, waarbij negen w#H'b moeten zijn. Bij Juwana wil 't schip niet verder. Op Sayit's gebed beweegt het zich weder, doch het komt te Cërbon terecht. Hij betaalt de vracht met getooverde intën, en wandelt over 't water naar den wal. De juragan bekeert zich en volgt hem. Sayit gaat naar Kali Jaga, én vervolgens naar Kuningan, waar Maolana Ibrahim op den gunung Jati als kluizenaar leeft. Hij wordt diens schoonzoon, gaat dan naar CërboU en heet verder Sunan Kali Jaga. Brawijaya heeft bij een vrouw uit Bagëlen nog Jaran panolih verwekt, te Sumëdang geplaatstP; en bij een dochter van den vorst van Pulo Bafijar een andere, die met een helm geboren werd (deze kon slechts verwijderd worden door een wong tapa); deze knaap krijgt den naam Bafijaran sari; en eindelijk bij een vrouw van Sukadana Carang soka. Daarop wordt hij ziek

(406) aan de rajasinga. Het geneesmiddel daartegen is een Wandan'sche vrouw. Een bule van daar, uit 't vroegere gevolg van Darawati, wordt ontboden, en daarna aan een juru sabin ten huwelijk gegeven. Zij schenkt het leven aan Bondan kajawan. Deze jonge man gaat naar Majapahit, pleegt daar majesteitsschennis door de bende Sëkar dalima te bespelen, en is niet te overmeesteren. Het blijkt, dat hij de zoon is van Brawijaya. Deze voorspelt zijne grootheid, en beveelt hem aan Kyai Tarub te geven om hem op te voeden, hem twee pusaka krissen schenkende. Hierop volgt de beschrijving van den bouw van de moskee te Dëmak, waaraan de negen wali'a (Sunan Giri, Sunan Cërbon, Sunan Gësang, Sunan Mëjagung, Seh Lëmah bang, Sunan Undung, Sunang Bonang, Sunan Drajat, en Sunan Kali Jaga) deelnemen.

(407) Onderwijl sterft Sunan Ampel. Hij wordt te Ampel begraven, 1828 (awakkaUh-guna-iku). Kali Jaga raadt het af tegen Brawijaya gewelddadig, te ageeren, daar hij zich tegen de Mohammedanen nooit misdragen had; toch besluit men tot een opstand. Sunan Kudus (Undung) wordt aan 't hoofd der troepen geplaatst. De bouw van de moskee wordt voortgezet. Nog restte één der saka guru te plaatsen, wat Sunan Kali Jaga doen moest. Hij maakt er een uit spaanders, de saka tal. De kiblat blijkt niet juist te zijn. (408) Ki Pélembang wordt tot Ki Nagur gezonden om dezen tali duk te laten maken. Hij vindt verschillende personen, waaronder er een op 't schuim van het water zit, die zeggen diens leeiilingen te zijn en hem terecht wijzen. Zoo vindt hij hem, die in de lucht schijnt te kunnen zitten, en er zich op verstaat voortdurend maar door te eten en dan ook een dik buikje heeft. Hij maakt het touw in weinige oogenblikken gereed, staakt zijn

Sluiten